Ochtend in de buiten

september 30, 2011

Vanochtend vroeg wakker. Echt wakker. Ochtendjas aan, pruttelkoffie op het vuur en naar buiten om de luiken open te doen. Kijken richting Schoondijke deed me een paar keer diep ademhalen.

Advertenties

Verleden

september 29, 2011

Van alle kanten lijkt het verleden op me af te komen. Gisteren werd ik gebeld door een goede vriend die zijn ouders hielp het huis van zijn tante leeg te halen omdat het verhuurd gaat worden. Tante zit al jaren, volledig dement, in een verzorgingstehuis. Ik ken tante nog wel. De keer dat we met vriend, vriend’s vader en tante een oom in een trappistenklooster op gingen zoeken heeft ze een onuitwisbare indruk op me gemaakt. Ze was ook toen al een beetje aan het afdwalen en riep tijdens de wandeling door het klooster herhaaldelijk “Godmiljarendjuu!” En tijdens het eten in de refter, dat in stilte genoten werd, zei ze met luide stem “Ik wil bier!”

Nu gaat heel tante’s hebben en houden naar neven, belangstellenden, kringloopwinkel, vuilnisbak en mij. Mijn vriend had het er moeilijk mee. Hij was naast de tante opgegroeid en werd overspoeld met jeugdherinneringen die natuurlijk lang niet allemaal even plezierig waren. Een heel verleden, een hele generatie werd ontmanteld. De huurster zal waarschijnlijk meteen het prachtige oude behang en de zeventiger jaren gordijnen weghalen. 1 Oktober gaat ze erin. Vanaf dan kan de herinnering alleen nog maar vervagen.


Oude bomen

september 28, 2011

Buurman Carlos is tegen bomen. Bomen trekken de voedingsstoffen uit de akkers weg, geven schaduw en staan brede landbouwmachines in de weg. Buurman Carlos heeft het ook niet zo op afrastering. Afrastering beperkt het aantal centimeters dat hij over de eigendomsgrens heen kan zaaien en oogsten.

Oud-buurman Kees was erger. Die spoelde zijn machines in de kreek en vond dat er niet gezeurd moest worden als er een laag olie op het water stond. Buurman Kees veranderde de vorm van de kreek van rond naar half-cirkelvormig en beweerde dat dat de natuur was.

Naast de akker staat een bosje met heel oude eiken. Het bosje met het kleine stukje land eromheen is nooit bewerkt en voelt als je er loopt vreemd authentiek. Een oude boer had er ooit zijn bijenkasten staan. Nu staan er paarden en soms schapen. Heel rustig. Heel anders dan Carlos zijn strak geëgaliseerde en tot op de centimeter benutte akker.

Vandaag heb ik een paar ondermaatse uien van de akker gepikt. Misschien waren ze wel groter geweest zonder bosje.


Nieuw

september 27, 2011

Onderweg naar een optreden kwamen we iets nieuws tegen.


Stuiterbal

september 25, 2011

Toen ik acht was ging ik vaak spelen bij Annette. Ik had wel meer vriendinnen, maar deze was bijzonder omdat haar vader bakker was en altijd rond liep in een wit hemd en een blauwwit geruite bakkersbroek. Hij had een breed, grof gezicht met kleine sluwe ogen en enorme handen. Ik dacht dat die handen zo groot waren vanwege het kneden van het brooddeeg, tot ik ontdekte dat hij daar een machine voor had. Ik was bang voor hem. Annette’s moeder zagen we niet veel. Die stond in de winkel.

Hun huis was heel anders dan dat van ons. Bij ons kwam je officieel binnen in de hal en ging door de deur naast de kapstok (door de andere deuren kwam je in de WC en de meterkast) naar de woonkamer die, als je rechtsaf sloeg overging in de woonkeuken. Mijn ouders hadden bij de bouw van het huis speciaal gevraagd om een open keuken zodat mijn moeder altijd mij en mijn twee broertjes in de gaten kon houden. Als we naar buiten wilden moesten we altijd langs achteren, door wat voor mijn ouders het klompenkot was en voor de mensen aan wie ze later het huis verkochten de sèrre, de tuin in, het poortje door naar het gangetje tussen onze garage en die van de buren, de oprit (rails van witgewassen grinttegels met daar tussen een strook gras) af en je stond op straat. Een doodlopende straat, zonder gevaar.

Annette woonde midden in het dorp, aan de winkelstraat. Voor hun huis was geen tuin maar de winkel waarin haar moeder verkocht wat haar vader bakte. Achter de winkel begon meteen de bakkerij en om in de woonkamer te komen moest je met een trap naar boven. Voor mij was dit allemaal erg ongewoon en spannend. Als ik kwam spelen mocht ik niet via de winkel naar binnen maar moest omfietsen naar een smal straatje parallel aan de winkelstraat waar de achterkanten van de winkels op uit kwamen. Een straatje zonder tuinen maar met geplaveide binnenplaatsen voor de bestelwagens en opslagruimtes met ijzeren rolluiken. Daar kon ik dan de  ingang van de bakkerij nemen.

Ik hield niet van de bakkerij; er bewoog teveel tegelijkertijd, het was er lawaaierig en het stond er vol met dingen waar we niet aan mochten komen. Al die herrie en beweging gaven me een gevoel van onveiligheid: ik had moeite me te oriënteren en daardoor kon het gebeuren dat ik Annette’s vader pas zag als hij ineens voor me stond, groot, dreigend, de enorme handen in zijn zij geplant. Hij zei nooit wat. Pas als ik piepte „Ik kom voor Annette meneer,” stapte hij opzij om me door te laten. Ik rende dan met rood hoofd en kloppend hart de trap op naar de woonkamer, waar Annette op me wachtte.

Annette was de baas. Ze was een half jaar ouder dan ik, een stuk groter en populair in de klas. Ik was verlegen en onzeker. Misschien wilde ik te graag aardig gevonden worden. Bij het spelen besliste Annette wat we gingen doen. Ik wist niet altijd zeker of ik haar spelletjes wel echt leuk vond, maar ik stelde geen vragen en deed wat ze me zei. Ik denk dat ik er vanuit ging dat ze, vanwege haar populariteit, beter wist wat leuk was dan ik. Zoals die ene keer dat Annette haar truitje en hemd uitdeed, achterover ging liggen op de luie stoel in de hoek van de woonkamer die onzichtbaar was vanaf de straat, hoofd gekanteld, ogen half dicht, mond open, armen slap over beide leuningen en zei: „En nu ben jij het kind dat binnen komt en dan moet je zeggen: wat heeft mamma een grote borsten.”

Op een woensdagmiddag kwam ik hijgend de trap op rennen om niet alleen Annette maar ook Leonie in de woonkamer te vinden. Leonie was van Annette’s leeftijd, een wat grofgebouwd kind met bruin haar, bruine ogen en een opvallend rond gezicht. Ik kende haar van school en ging ook wel eens bij haar spelen, maar op een of andere manier ik voelde me nooit helemaal op mijn gemak als zij in de buurt was. Wat ik vooral wantrouwde waren haar handen, met de korte maar sterke vingers, stomp en rafelig van het nagelbijten. Ik deed er alles aan om die handen niet aan te hoeven raken, was constant op mijn hoede; ik liet me nooit door haar vangen bij tikkertje spelen, accepteerde van haar geen koekjes en nam haar niet mee naar mijn hut (waar je net met z’n tweeën in kon en contact onvermijdelijk was). En nu was zij er ook. Met haar enge handen. Waarom? Ik zou toch met Annette komen spelen?

Maar Leonie bleef en al snel kreeg ik het idee dat ze liever met z’n tweeën waren gebleven, dat ik ze stoorde in wat het ook mocht zijn waar ze tot ik binnen kwam mee bezig waren geweest. We speelden dit keer niet in de woonkamer maar in Annette’s slaapkamer, aan de achterkant van het huis. Annette en Leonie zaten te fluisteren op het bed terwijl ik me teveel voelde op de stoel aan haar bureau. Tranen kriebelden al achter mijn ogen. Opeens had Annette een stuiterbal in haar hand. Ze strekte haar arm zodat ik hem beter kon bekijken maar liet me hem niet vasthouden. De bal was een stuk groter dan de stuiterballetjes die wij thuis wel eens kregen en die geheid na drie keer stuiteren niet meer terug gevonden konden worden. Deze was van doorzichtig rubber met daarin gekronkelde sliertjes in allerlei kleuren en kleine gouden spikkeltjes.  „En kijk nu goed” zei Annette toen ze vond dat ik de bal lang genoeg bewonderd had. Ze hees haar rok omhoog, haakte haar linker duim achter het elastiek van haar onderbroek, trok het naar voren en liet de bal in haar broekje vallen. „Zo.” Ik keek haar onthutst aan terwijl Leonie op het bed lag te lachen.

„En nu gaan we spelen,” zei Annette. Dat was niet zo makkelijk omdat we niet veel spelletje kenden die je ook met z’n drieën kon doen. Daarbij werden we telkens afgeleid door de stuiterbal die Annette van tijd tot tijd op en neer bewoog in haar onderbroek. Maar Annette had een idee: „Ik weet iets leuks, maar dan moet ik wel even iets afspreken met Leonie en jij mag dat niet horen, anders is er niks meer aan.” Ik wachtte terwijl Annette en Leonie fluisterend aan het overleggen waren, af en toe lachten en naar mij keken om er zeker van te zijn dat ik niets zou horen. Ik had wel vaker spelletjes gespeeld waarbij er twee iets afspreken wat de derde later moet raden, uitvinden, of doen, dus wachtte ik vol spanning op wat er zou gaan gebeuren.

Eindelijk was het overleg afgelopen en kwam Annette naar me toe. Het was haar spel; zij zou het leiden. Leonie hield zich op de achtergrond. „Nu moet je je ogen dicht doen, en echt dicht hoor, en dan krijg je iets lekkers.” Ik deed mijn ogen dicht maar vroeg toch nog voorzichtig: „Wat krijg ik dan?” „Een kauwgumpje!” jubelde Leonie. „Ja, een kauwgumpje” beaamde Annette, „maar alleen als je je ogen heel strak dicht doet en niet kijkt, anders mag je niet meer meedoen.” Ik kneep mijn ogen stijf dicht, blij en opgewonden door het vooruitzicht van een voor mij bijzondere traktatie. Ik was ervan overtuigd dat ik binnen een paar tellen een heerlijk lichtblauw glad kussentje Stimorol in mijn mond zou hebben. „Mond open!” beval Annette. Ik opende gehoorzaam mijn mond. „Verder!” Zo groot was een stukje Stimorol toch ook niet . . . of . . . hadden ze misschien Hubba Bubba, de lekkerste en door mijn ouders meest verafschuwde kauwgumsoort! Ik deed mijn mond zo ver mogelijk open, zo ver dat ik mijn kaken voelde kraken. Het volgende moment was mijn mond gevuld door iets veel te groots en ronds; warm, kleverig en smakend naar rubber. Ik hoorde Leonie wild lachen. Ik heb niet gehuild.

Op Annette’s verjaardag zaten we met negen meisjes in de woonkamer. In afwachting. Annette was met haar moeder in de keuken voorbereidingen aan het treffen voor het spel. De lucht in de kamer zoemde van spanning. Twee meisjes, Leonie en Carolien, hadden het spel al eerder gespeeld en vertelden de anderen hoe het zou gaan, of beter gezegd, Leonie vertelde en Carolien knikte. „Straks,” zei Leonie „dan komen ze met een blinddoek die ze om je hoofd heen doen zodat je niks meer ziet en dan steken ze vingers op en dan moet jij raden hoeveel en dat kan je niet en dan is het goed. Dan brengen ze je naar de keuken en dan moet je een nummer zeggen. En dan moet je je mond open doen en dan krijg je een lepel. Dat is heel spannend want sommige lepels zijn heel lekker, met jam of stroop of zo, maar er zijn ook vieze lepels met mosterd en andere vieze dingen. En dan is het gedaan.” Ik stelde me voor wat er nog meer op de vieze lepels zou kunnen liggen: zout, rood-heet uit het zakje van de Chinees, gele vla, bitterkoekjespudding. Bij alles stelde ik me voor hoe het aan zou voelen in  mijn mond en keel, of het zou glijden of niet, of ik het binnen zou kunnen houden . . . Mijn buik begon te verkrampen. Aan de andere kant waren er natuurlijk wel de lekkere lepels . . . maar kon je daar wel zeker van zijn? Ik wilde zoo graag meedoen, was zo opgewonden, dat ik niet stil kon blijven zitten. Ik ging achterstevoren op mijn stoel zitten, op de bank, benen over de leuning, ging liggen, liep rond. Intussen stroomde de kamer langzaam leeg. Telkens werd er een ander meisje geblinddoekt en weggeleid. Leonie was al geweest. En Els. Later ook Catherine. Ik hoorde opgewonden kreten en gelach uit de keuken komen. Ik hield vanuit mijn verschillende posities gefascineerd de deuropening in de gaten waarin keer op keer weer de blinddoek verscheen. Tot ik, warm en zwetend, met bonzend hart, als enige in de woonkamer over was. Daar kwam de blinddoek al. Het was mijn beurt. Maar ik wilde niet, durfde niet, begon te huilen terwijl de andere meisjes me eerst aanmoedigden en daarna uitlachten. Zonder blinddoek werd ik meegenomen naar de keuken. Daar lag, op de laatste lepel, bruin en glanzend, de meest onvoorstelbare lekkernij: een knakworstje. „Die krijg je nu niet,” zei Annette, pakte het worstje, stak het in haar mond, draaide zich om en marcheerde de keuken uit, op de voet gevolgd door de andere meisjes.


Jeugdherinnering

september 24, 2011

Wat zijn eigenlijk herinneringen? Heel veel van wat ik nu herinneringen noem zijn feitelijk verhalen van anderen. Ik herinner me dan het verhaal, niet de gebeurtenis. Ik weet dat een oom tegen mijn neef die huilde omdat hij tegen een paaltje was gelopen zei: “Schoppen moet je tegen dat paaltje! Het paaltje is stout!” en dat diezelfde oom om interessant te doen in een café bloemen uit de vaas at. Je ziet het al, de waardeoordelen kreeg ik er gratis bij. Ook de gebeurtenissen waar ik zelf wel bij was, en zeker die waar foto’s van genomen zijn, zijn gekleurd. Vaak zijn ze keer op keer herverteld, subtiel veranderd, geherinterpreteerd en – in het geval van de foto’s – erbij gefantaseerd en in de loop der tijd volledig verworden.

Mijn echt eigen herinneringen zijn daarom vaak helemaal niet zo spectaculair. Ze zijn geen verhaal of foto waard geweest en zijn daarom intact gebleven. Zo weet ik nog goed dat ik thuis op het toilet zat te kijken naar de op-slot-knop van de deur en net mezelf had verteld dat hij op slot zat toen tot mijn verbijstering de deur werd opengetrokken door een oom die me meteen het onderste uit de zak gaf omdat ik verzuimd had de wc-deur op slot te doen. Ik herinner me dat in Oss de chocolade hagelslag “van papa” was en de vruchtenhagel “van mama” en er ook in die benamingen naar gevraagd werd. Daar heb ik geleerd dat stoute kinderen geiten plastic zakjes voerden en de geiten daaraan dood konden gaan. Ook weet ik nog hoe teleurgesteld ik was toen ik niet meer bij mijn neefje op de kamer mocht slapen omdat hij een jongetje was en ik een meisje. En dat mijn broertje en ik zo opgewonden waren van het op handen zijnde familiebezoek dat toen uiteindelijk de bel ging we bang werden en ons verstopten achter de gordijnen.

Nu, met de nieuwe partij foto’s, heb ik opeens beelden gekregen bij een paar authentieke jeugdherinneringen. De blauwgroene badstof zwembroek van mijn vader kan ik me nog heel goed herinneren. Ik denk niet dat hij in mijn leven een andere heeft bezeten. Ook weet ik nog dat ik hem op die enkele keer dat we naar het strand gingen altijd zo wit vond vergeleken met de echte strandvaders. Maar de dag met de drie ooms erbij was echt bijzonder. Ik heb me zorgen gemaakt om mijn peetoom die als een tank te water ging, zwom waar je niet meer kan staan en die eng lang veel te dicht bij de paalhoofden rond dobberde.

De ervaring die het meest indruk op me maakte kwam echter toen de jongste en joligste oom me op zijn schouders nam en diep het water in liep. Ik was doodsbenauwd. Niet alleen omdat ik wist dat ik waar we waren zelf niet kon staan, omdat ik voelde dat de oom met de beweging van de golven los kwam van de grond, of omdat ik wist dat er vlak bij de golfbrekers sterke stroming kon zijn, maar omdat zijn huid die eerst nog goed plakte van zweet en zout nu in het water zo glibberig als zeep was geworden dat ik al mijn houvast kwijt was. In paniek bleef ik “We gaan te diep!” gillen, terwijl de oom gestaag, mij bij de enkels vasthoudend, verder de zee in liep en zelfs voorstelde een eindje te gaan zwemmen.

Wie schetst mijn verbazing toen ik bij nadere inspectie van een wel erg uitgebleekt beeld mezelf tegen kwam op die betreffende stranddag. Veilig achter moeder’s rug.


Verleden wereld

september 23, 2011

De 500 familiefoto’s die ik gisteren kreeg hebben een raar effect. Ik kijk ze keer op keer door en val van de ene verbazing in de andere. Het is alsof ik er een stukje verleden heb bijgekregen. In ons gezin zijn veel foto’s en dia’s gemaakt, maar die waren altijd voor handen. Fotoboeken werden regelmatig opengeslagen en af en toe werd er ook wel een dia-avond georganiseerd. Vader achter de projector, wij commentaar leveren: “Hij zit gespiegeld pap! Hij is onscherp! Je hebt de slee er achterstevoren ingezet.” Geruis van de projector, geklik van het mechanisme om de volgende dia voor de lens te schuiven, het dwarrelde stof in de lichtstraal. Gezelligheid troef.

Wat ik wil zeggen is dat de beelden op die foto’s en dia’s al onderdeel waren van ons verleden. Ze waren bekend. Maar met de foto’s van deze oom ging er opeens een andere wereld voor me open. Waar onze gezinsfoto’s voornamelijk huislijke taferelen en vakanties tonen waren de foto’s van oom verdeeld in fietsfoto’s en feestfoto’s. Helemaal niet zo vreemd als ik er over nadenk. Oom en tante hadden zelf geen kinderen, dus heugenswaardige gebeurtenissen waren de fietstochten die vier van de broers vanuit Brabant naar West Zeeuws Vlaanderen ondernamen en de familiefeesten.

Natuurlijk herinner ik me de feesten ook nog wel. De grote mensen gingen zodra ze het feesthuis binnen waren zitten, praten en dingen drinken die wij niet mochten en niet lekker vonden. Wij hingen eerst een beetje om onze ouders heen en als we over onze verlegenheid heen waren togen we, al dan niet met met neven en nichten, naar buiten om te skelteren, fietsen, in de tuin te graven, te schommelen, of de buurt te verkennen met de kinderen van het feestvarken. Als we binnen moesten blijven aten we chips. Wat de ouders deden merkten we eigenlijk niet. Dat waren grote-mensen-dingen.

Nu, op de foto’s, zie ik pas wat die grote mensen deden. Tafels staan vol met flessen en glazen bier. Iedereen heeft een sigaret in hand of mond en er wordt goed glazig uit de ogen gekeken. Ik zie oma met een groene sombrero, oom met fez, oom met schurken-zakdoek voor gezicht, oom met groene sombrero, oom met paarse badmuts, tante met Grieks gewaad, nicht met groene sombrero, de hele familie met gekke petjes op, een groeps-slaapkamerfoto waarbij twee ooms hun armen om de verkeerde tante hebben geslagen. En ik zie dan wel niet de hele familie maar toch een groot deel, inclusief opa en oma, onder een stel kranten. Accessoires: prachtige grote lamp, glas alcohol, doekje op opa’s hoofd, bitterballen, sigaar, en hamertje tik. En de kranten natuurlijk. Opeens is er een nieuwe wereld van verleden.