Ochtend in de buiten

september 30, 2011

Vanochtend vroeg wakker. Echt wakker. Ochtendjas aan, pruttelkoffie op het vuur en naar buiten om de luiken open te doen. Kijken richting Schoondijke deed me een paar keer diep ademhalen.


Verleden

september 29, 2011

Van alle kanten lijkt het verleden op me af te komen. Gisteren werd ik gebeld door een goede vriend die zijn ouders hielp het huis van zijn tante leeg te halen omdat het verhuurd gaat worden. Tante zit al jaren, volledig dement, in een verzorgingstehuis. Ik ken tante nog wel. De keer dat we met vriend, vriend’s vader en tante een oom in een trappistenklooster op gingen zoeken heeft ze een onuitwisbare indruk op me gemaakt. Ze was ook toen al een beetje aan het afdwalen en riep tijdens de wandeling door het klooster herhaaldelijk “Godmiljarendjuu!” En tijdens het eten in de refter, dat in stilte genoten werd, zei ze met luide stem “Ik wil bier!”

Nu gaat heel tante’s hebben en houden naar neven, belangstellenden, kringloopwinkel, vuilnisbak en mij. Mijn vriend had het er moeilijk mee. Hij was naast de tante opgegroeid en werd overspoeld met jeugdherinneringen die natuurlijk lang niet allemaal even plezierig waren. Een heel verleden, een hele generatie werd ontmanteld. De huurster zal waarschijnlijk meteen het prachtige oude behang en de zeventiger jaren gordijnen weghalen. 1 Oktober gaat ze erin. Vanaf dan kan de herinnering alleen nog maar vervagen.


Oude bomen

september 28, 2011

Buurman Carlos is tegen bomen. Bomen trekken de voedingsstoffen uit de akkers weg, geven schaduw en staan brede landbouwmachines in de weg. Buurman Carlos heeft het ook niet zo op afrastering. Afrastering beperkt het aantal centimeters dat hij over de eigendomsgrens heen kan zaaien en oogsten.

Oud-buurman Kees was erger. Die spoelde zijn machines in de kreek en vond dat er niet gezeurd moest worden als er een laag olie op het water stond. Buurman Kees veranderde de vorm van de kreek van rond naar half-cirkelvormig en beweerde dat dat de natuur was.

Naast de akker staat een bosje met heel oude eiken. Het bosje met het kleine stukje land eromheen is nooit bewerkt en voelt als je er loopt vreemd authentiek. Een oude boer had er ooit zijn bijenkasten staan. Nu staan er paarden en soms schapen. Heel rustig. Heel anders dan Carlos zijn strak geëgaliseerde en tot op de centimeter benutte akker.

Vandaag heb ik een paar ondermaatse uien van de akker gepikt. Misschien waren ze wel groter geweest zonder bosje.


Nieuw

september 27, 2011

Onderweg naar een optreden kwamen we iets nieuws tegen.


Stuiterbal

september 25, 2011

Toen ik acht was ging ik vaak spelen bij Annette. Ik had wel meer vriendinnen, maar deze was bijzonder omdat haar vader bakker was en altijd rond liep in een wit hemd en een blauwwit geruite bakkersbroek. Hij had een breed, grof gezicht met kleine sluwe ogen en enorme handen. Ik dacht dat die handen zo groot waren vanwege het kneden van het brooddeeg, tot ik ontdekte dat hij daar een machine voor had. Ik was bang voor hem. Annette’s moeder zagen we niet veel. Die stond in de winkel.

Hun huis was heel anders dan dat van ons. Bij ons kwam je officieel binnen in de hal en ging door de deur naast de kapstok (door de andere deuren kwam je in de WC en de meterkast) naar de woonkamer die, als je rechtsaf sloeg overging in de woonkeuken. Mijn ouders hadden bij de bouw van het huis speciaal gevraagd om een open keuken zodat mijn moeder altijd mij en mijn twee broertjes in de gaten kon houden. Als we naar buiten wilden moesten we altijd langs achteren, door wat voor mijn ouders het klompenkot was en voor de mensen aan wie ze later het huis verkochten de sèrre, de tuin in, het poortje door naar het gangetje tussen onze garage en die van de buren, de oprit (rails van witgewassen grinttegels met daar tussen een strook gras) af en je stond op straat. Een doodlopende straat, zonder gevaar.

Annette woonde midden in het dorp, aan de winkelstraat. Voor hun huis was geen tuin maar de winkel waarin haar moeder verkocht wat haar vader bakte. Achter de winkel begon meteen de bakkerij en om in de woonkamer te komen moest je met een trap naar boven. Voor mij was dit allemaal erg ongewoon en spannend. Als ik kwam spelen mocht ik niet via de winkel naar binnen maar moest omfietsen naar een smal straatje parallel aan de winkelstraat waar de achterkanten van de winkels op uit kwamen. Een straatje zonder tuinen maar met geplaveide binnenplaatsen voor de bestelwagens en opslagruimtes met ijzeren rolluiken. Daar kon ik dan de  ingang van de bakkerij nemen.

Ik hield niet van de bakkerij; er bewoog teveel tegelijkertijd, het was er lawaaierig en het stond er vol met dingen waar we niet aan mochten komen. Al die herrie en beweging gaven me een gevoel van onveiligheid: ik had moeite me te oriënteren en daardoor kon het gebeuren dat ik Annette’s vader pas zag als hij ineens voor me stond, groot, dreigend, de enorme handen in zijn zij geplant. Hij zei nooit wat. Pas als ik piepte „Ik kom voor Annette meneer,” stapte hij opzij om me door te laten. Ik rende dan met rood hoofd en kloppend hart de trap op naar de woonkamer, waar Annette op me wachtte.

Annette was de baas. Ze was een half jaar ouder dan ik, een stuk groter en populair in de klas. Ik was verlegen en onzeker. Misschien wilde ik te graag aardig gevonden worden. Bij het spelen besliste Annette wat we gingen doen. Ik wist niet altijd zeker of ik haar spelletjes wel echt leuk vond, maar ik stelde geen vragen en deed wat ze me zei. Ik denk dat ik er vanuit ging dat ze, vanwege haar populariteit, beter wist wat leuk was dan ik. Zoals die ene keer dat Annette haar truitje en hemd uitdeed, achterover ging liggen op de luie stoel in de hoek van de woonkamer die onzichtbaar was vanaf de straat, hoofd gekanteld, ogen half dicht, mond open, armen slap over beide leuningen en zei: „En nu ben jij het kind dat binnen komt en dan moet je zeggen: wat heeft mamma een grote borsten.”

Op een woensdagmiddag kwam ik hijgend de trap op rennen om niet alleen Annette maar ook Leonie in de woonkamer te vinden. Leonie was van Annette’s leeftijd, een wat grofgebouwd kind met bruin haar, bruine ogen en een opvallend rond gezicht. Ik kende haar van school en ging ook wel eens bij haar spelen, maar op een of andere manier ik voelde me nooit helemaal op mijn gemak als zij in de buurt was. Wat ik vooral wantrouwde waren haar handen, met de korte maar sterke vingers, stomp en rafelig van het nagelbijten. Ik deed er alles aan om die handen niet aan te hoeven raken, was constant op mijn hoede; ik liet me nooit door haar vangen bij tikkertje spelen, accepteerde van haar geen koekjes en nam haar niet mee naar mijn hut (waar je net met z’n tweeën in kon en contact onvermijdelijk was). En nu was zij er ook. Met haar enge handen. Waarom? Ik zou toch met Annette komen spelen?

Maar Leonie bleef en al snel kreeg ik het idee dat ze liever met z’n tweeën waren gebleven, dat ik ze stoorde in wat het ook mocht zijn waar ze tot ik binnen kwam mee bezig waren geweest. We speelden dit keer niet in de woonkamer maar in Annette’s slaapkamer, aan de achterkant van het huis. Annette en Leonie zaten te fluisteren op het bed terwijl ik me teveel voelde op de stoel aan haar bureau. Tranen kriebelden al achter mijn ogen. Opeens had Annette een stuiterbal in haar hand. Ze strekte haar arm zodat ik hem beter kon bekijken maar liet me hem niet vasthouden. De bal was een stuk groter dan de stuiterballetjes die wij thuis wel eens kregen en die geheid na drie keer stuiteren niet meer terug gevonden konden worden. Deze was van doorzichtig rubber met daarin gekronkelde sliertjes in allerlei kleuren en kleine gouden spikkeltjes.  „En kijk nu goed” zei Annette toen ze vond dat ik de bal lang genoeg bewonderd had. Ze hees haar rok omhoog, haakte haar linker duim achter het elastiek van haar onderbroek, trok het naar voren en liet de bal in haar broekje vallen. „Zo.” Ik keek haar onthutst aan terwijl Leonie op het bed lag te lachen.

„En nu gaan we spelen,” zei Annette. Dat was niet zo makkelijk omdat we niet veel spelletje kenden die je ook met z’n drieën kon doen. Daarbij werden we telkens afgeleid door de stuiterbal die Annette van tijd tot tijd op en neer bewoog in haar onderbroek. Maar Annette had een idee: „Ik weet iets leuks, maar dan moet ik wel even iets afspreken met Leonie en jij mag dat niet horen, anders is er niks meer aan.” Ik wachtte terwijl Annette en Leonie fluisterend aan het overleggen waren, af en toe lachten en naar mij keken om er zeker van te zijn dat ik niets zou horen. Ik had wel vaker spelletjes gespeeld waarbij er twee iets afspreken wat de derde later moet raden, uitvinden, of doen, dus wachtte ik vol spanning op wat er zou gaan gebeuren.

Eindelijk was het overleg afgelopen en kwam Annette naar me toe. Het was haar spel; zij zou het leiden. Leonie hield zich op de achtergrond. „Nu moet je je ogen dicht doen, en echt dicht hoor, en dan krijg je iets lekkers.” Ik deed mijn ogen dicht maar vroeg toch nog voorzichtig: „Wat krijg ik dan?” „Een kauwgumpje!” jubelde Leonie. „Ja, een kauwgumpje” beaamde Annette, „maar alleen als je je ogen heel strak dicht doet en niet kijkt, anders mag je niet meer meedoen.” Ik kneep mijn ogen stijf dicht, blij en opgewonden door het vooruitzicht van een voor mij bijzondere traktatie. Ik was ervan overtuigd dat ik binnen een paar tellen een heerlijk lichtblauw glad kussentje Stimorol in mijn mond zou hebben. „Mond open!” beval Annette. Ik opende gehoorzaam mijn mond. „Verder!” Zo groot was een stukje Stimorol toch ook niet . . . of . . . hadden ze misschien Hubba Bubba, de lekkerste en door mijn ouders meest verafschuwde kauwgumsoort! Ik deed mijn mond zo ver mogelijk open, zo ver dat ik mijn kaken voelde kraken. Het volgende moment was mijn mond gevuld door iets veel te groots en ronds; warm, kleverig en smakend naar rubber. Ik hoorde Leonie wild lachen. Ik heb niet gehuild.

Op Annette’s verjaardag zaten we met negen meisjes in de woonkamer. In afwachting. Annette was met haar moeder in de keuken voorbereidingen aan het treffen voor het spel. De lucht in de kamer zoemde van spanning. Twee meisjes, Leonie en Carolien, hadden het spel al eerder gespeeld en vertelden de anderen hoe het zou gaan, of beter gezegd, Leonie vertelde en Carolien knikte. „Straks,” zei Leonie „dan komen ze met een blinddoek die ze om je hoofd heen doen zodat je niks meer ziet en dan steken ze vingers op en dan moet jij raden hoeveel en dat kan je niet en dan is het goed. Dan brengen ze je naar de keuken en dan moet je een nummer zeggen. En dan moet je je mond open doen en dan krijg je een lepel. Dat is heel spannend want sommige lepels zijn heel lekker, met jam of stroop of zo, maar er zijn ook vieze lepels met mosterd en andere vieze dingen. En dan is het gedaan.” Ik stelde me voor wat er nog meer op de vieze lepels zou kunnen liggen: zout, rood-heet uit het zakje van de Chinees, gele vla, bitterkoekjespudding. Bij alles stelde ik me voor hoe het aan zou voelen in  mijn mond en keel, of het zou glijden of niet, of ik het binnen zou kunnen houden . . . Mijn buik begon te verkrampen. Aan de andere kant waren er natuurlijk wel de lekkere lepels . . . maar kon je daar wel zeker van zijn? Ik wilde zoo graag meedoen, was zo opgewonden, dat ik niet stil kon blijven zitten. Ik ging achterstevoren op mijn stoel zitten, op de bank, benen over de leuning, ging liggen, liep rond. Intussen stroomde de kamer langzaam leeg. Telkens werd er een ander meisje geblinddoekt en weggeleid. Leonie was al geweest. En Els. Later ook Catherine. Ik hoorde opgewonden kreten en gelach uit de keuken komen. Ik hield vanuit mijn verschillende posities gefascineerd de deuropening in de gaten waarin keer op keer weer de blinddoek verscheen. Tot ik, warm en zwetend, met bonzend hart, als enige in de woonkamer over was. Daar kwam de blinddoek al. Het was mijn beurt. Maar ik wilde niet, durfde niet, begon te huilen terwijl de andere meisjes me eerst aanmoedigden en daarna uitlachten. Zonder blinddoek werd ik meegenomen naar de keuken. Daar lag, op de laatste lepel, bruin en glanzend, de meest onvoorstelbare lekkernij: een knakworstje. „Die krijg je nu niet,” zei Annette, pakte het worstje, stak het in haar mond, draaide zich om en marcheerde de keuken uit, op de voet gevolgd door de andere meisjes.


Jeugdherinnering

september 24, 2011

Wat zijn eigenlijk herinneringen? Heel veel van wat ik nu herinneringen noem zijn feitelijk verhalen van anderen. Ik herinner me dan het verhaal, niet de gebeurtenis. Ik weet dat een oom tegen mijn neef die huilde omdat hij tegen een paaltje was gelopen zei: “Schoppen moet je tegen dat paaltje! Het paaltje is stout!” en dat diezelfde oom om interessant te doen in een café bloemen uit de vaas at. Je ziet het al, de waardeoordelen kreeg ik er gratis bij. Ook de gebeurtenissen waar ik zelf wel bij was, en zeker die waar foto’s van genomen zijn, zijn gekleurd. Vaak zijn ze keer op keer herverteld, subtiel veranderd, geherinterpreteerd en – in het geval van de foto’s – erbij gefantaseerd en in de loop der tijd volledig verworden.

Mijn echt eigen herinneringen zijn daarom vaak helemaal niet zo spectaculair. Ze zijn geen verhaal of foto waard geweest en zijn daarom intact gebleven. Zo weet ik nog goed dat ik thuis op het toilet zat te kijken naar de op-slot-knop van de deur en net mezelf had verteld dat hij op slot zat toen tot mijn verbijstering de deur werd opengetrokken door een oom die me meteen het onderste uit de zak gaf omdat ik verzuimd had de wc-deur op slot te doen. Ik herinner me dat in Oss de chocolade hagelslag “van papa” was en de vruchtenhagel “van mama” en er ook in die benamingen naar gevraagd werd. Daar heb ik geleerd dat stoute kinderen geiten plastic zakjes voerden en de geiten daaraan dood konden gaan. Ook weet ik nog hoe teleurgesteld ik was toen ik niet meer bij mijn neefje op de kamer mocht slapen omdat hij een jongetje was en ik een meisje. En dat mijn broertje en ik zo opgewonden waren van het op handen zijnde familiebezoek dat toen uiteindelijk de bel ging we bang werden en ons verstopten achter de gordijnen.

Nu, met de nieuwe partij foto’s, heb ik opeens beelden gekregen bij een paar authentieke jeugdherinneringen. De blauwgroene badstof zwembroek van mijn vader kan ik me nog heel goed herinneren. Ik denk niet dat hij in mijn leven een andere heeft bezeten. Ook weet ik nog dat ik hem op die enkele keer dat we naar het strand gingen altijd zo wit vond vergeleken met de echte strandvaders. Maar de dag met de drie ooms erbij was echt bijzonder. Ik heb me zorgen gemaakt om mijn peetoom die als een tank te water ging, zwom waar je niet meer kan staan en die eng lang veel te dicht bij de paalhoofden rond dobberde.

De ervaring die het meest indruk op me maakte kwam echter toen de jongste en joligste oom me op zijn schouders nam en diep het water in liep. Ik was doodsbenauwd. Niet alleen omdat ik wist dat ik waar we waren zelf niet kon staan, omdat ik voelde dat de oom met de beweging van de golven los kwam van de grond, of omdat ik wist dat er vlak bij de golfbrekers sterke stroming kon zijn, maar omdat zijn huid die eerst nog goed plakte van zweet en zout nu in het water zo glibberig als zeep was geworden dat ik al mijn houvast kwijt was. In paniek bleef ik “We gaan te diep!” gillen, terwijl de oom gestaag, mij bij de enkels vasthoudend, verder de zee in liep en zelfs voorstelde een eindje te gaan zwemmen.

Wie schetst mijn verbazing toen ik bij nadere inspectie van een wel erg uitgebleekt beeld mezelf tegen kwam op die betreffende stranddag. Veilig achter moeder’s rug.


Verleden wereld

september 23, 2011

De 500 familiefoto’s die ik gisteren kreeg hebben een raar effect. Ik kijk ze keer op keer door en val van de ene verbazing in de andere. Het is alsof ik er een stukje verleden heb bijgekregen. In ons gezin zijn veel foto’s en dia’s gemaakt, maar die waren altijd voor handen. Fotoboeken werden regelmatig opengeslagen en af en toe werd er ook wel een dia-avond georganiseerd. Vader achter de projector, wij commentaar leveren: “Hij zit gespiegeld pap! Hij is onscherp! Je hebt de slee er achterstevoren ingezet.” Geruis van de projector, geklik van het mechanisme om de volgende dia voor de lens te schuiven, het dwarrelde stof in de lichtstraal. Gezelligheid troef.

Wat ik wil zeggen is dat de beelden op die foto’s en dia’s al onderdeel waren van ons verleden. Ze waren bekend. Maar met de foto’s van deze oom ging er opeens een andere wereld voor me open. Waar onze gezinsfoto’s voornamelijk huislijke taferelen en vakanties tonen waren de foto’s van oom verdeeld in fietsfoto’s en feestfoto’s. Helemaal niet zo vreemd als ik er over nadenk. Oom en tante hadden zelf geen kinderen, dus heugenswaardige gebeurtenissen waren de fietstochten die vier van de broers vanuit Brabant naar West Zeeuws Vlaanderen ondernamen en de familiefeesten.

Natuurlijk herinner ik me de feesten ook nog wel. De grote mensen gingen zodra ze het feesthuis binnen waren zitten, praten en dingen drinken die wij niet mochten en niet lekker vonden. Wij hingen eerst een beetje om onze ouders heen en als we over onze verlegenheid heen waren togen we, al dan niet met met neven en nichten, naar buiten om te skelteren, fietsen, in de tuin te graven, te schommelen, of de buurt te verkennen met de kinderen van het feestvarken. Als we binnen moesten blijven aten we chips. Wat de ouders deden merkten we eigenlijk niet. Dat waren grote-mensen-dingen.

Nu, op de foto’s, zie ik pas wat die grote mensen deden. Tafels staan vol met flessen en glazen bier. Iedereen heeft een sigaret in hand of mond en er wordt goed glazig uit de ogen gekeken. Ik zie oma met een groene sombrero, oom met fez, oom met schurken-zakdoek voor gezicht, oom met groene sombrero, oom met paarse badmuts, tante met Grieks gewaad, nicht met groene sombrero, de hele familie met gekke petjes op, een groeps-slaapkamerfoto waarbij twee ooms hun armen om de verkeerde tante hebben geslagen. En ik zie dan wel niet de hele familie maar toch een groot deel, inclusief opa en oma, onder een stel kranten. Accessoires: prachtige grote lamp, glas alcohol, doekje op opa’s hoofd, bitterballen, sigaar, en hamertje tik. En de kranten natuurlijk. Opeens is er een nieuwe wereld van verleden.


Familie

september 22, 2011

Op familiefeesten ben ik niet op mijn best. Ik weet het gelukkig en trek me vaak terug. Vandaag mocht ik evenwel het grote van-Gorpen-lied aanhoren dat volgens goede traditie gezongen moet worden bij het eerste glas alcohol op de verjaardag van een van Gorp van de oorlogsgeneratie en dat eindigt met de kreet “Saufen!!” Ook keek en luisterde ik met verbijstering naar de oom die zijn binnenkomende smsjes uitlegt en voorleest, je het uitgaande smsje letter voor letter en spatie voor spatie mee laat beleven en die in het wilde weg aan niemand in het bijzonder verhalen vertelt die ook niemand een zier interesseren.

Daarbij wordt er lustig op los gerijmd. Vandaag kreeg ik een gratis “Soep is warm, dat is goed voor je darm” van een nicht en een lieve tante vergastte me op een waanzinnige dichtregel met daarin een hoofdrol voor de naam van de straat waar ze woont maar die ik jammer genoeg alweer vergeten ben. Wel grapte ze nog even: “Ik heb geen vlugzout gegeten,” toen ze als laatste haar soep op had. Reuze gezellig allemaal. En ja, ik heb me dit keer echt vermaakt.

Ik was eerder op de dag aangenaam verrast door een CD die een nicht mee had genomen met bijna 500 familiefoto’s erop die ooit als dia door een al lang overleden oom gemaakt zijn. Daar zag ik naast de andere familieleden opeens mijn ouders in waanzinnige 70’s kleren, mijn broertjes als peuters, maar ook mezelf langskomen. Een vreemde maar erg toffe duik terug in de tijd.


Beeldverhaal

september 21, 2011


Geurspoor

september 20, 2011

In mijn boek lees ik dat de Indiaanse chauffeur kan ruiken wanneer de sjieke dame seks heeft gehad. Beangstigend idee. Zo heb ik ook wel eens gehoord van een jongen die kon ruiken wanneer een vrouw ongesteld was. En dat doet me weer terugdenken aan mijn middelbare schooltijd, aan het lange blonde meisje in mijn klas met wie ik in de pauze at en bij wie ik me regelmatig afvroeg of ze vis op haar brood had of dat het de tijd van de maand was.

Ik weet niet of het te ruiken is en al helemaal niet of de geclaimde specifieke geur wel het meest opvallende kenmerk is van de après-seks-vrouw. Of beter gezegd, de après-goede-seks-vrouw. Ik neem aan dat de vrachtwagenchauffeurs die na een middagje intimiteit naar me toeteren (wat ze op een doorsnee dag niet doen) hiertoe niet worden aangezet door een potent geurspoor dat ik over de snelweg trek. Wat het is weet ik niet, dat er een verschil is weet ik wel. In het gewone leven word ik bijna nooit nageroepen, maar vlak voor of na een afspraak met lichamelijkheid hangen mannen opeens uit autoraampjes, worden er complimentjes gemaakt over figuur, benen, het algemene lekker-wijf-zijn en wordt er overdreven vaak en gulzig kijkend gegroet. Ik vind het wel grappig en groet vrolijk terug, maar realiseer me terdege dat deze Gerard van de frietkraam, Jaap de zwerver en de jonge gast in de veel te dure auto nou niet echt de mensen zijn die ik zou uitzoeken voor communicatie die verder gaat dan één zin.

Een tijdje geleden maakte ik echter het toppunt mee. Tussen Breda en Antwerpen werd ik ingehaald door een auto die me maar niet voorbij wilde rijden. Erg irritant omdat ik daardoor in moest houden voor een langzaam rijdende auto voor me. De niet-inhaal-auto haalde uiteindelijk mij en de langzame auto in en ging er zacht voor rijden. Ik de langzame auto en de irritante auto weer inhalen. Niets aan de hand. Gebeurt zo vaak. Beetje onhandig rijgedrag, denk ik dan. Ik dacht in een flits gezien te hebben dat er een blonde vrouw achter het stuur zat en vroeg me opeens af of ze me niets had willen zeggen. Misschien deed één van mijn lichten het wel niet of was er iets anders waarop ze me attent wilde maken. Maar geen van de andere weggebruikers reageerde vreemd op me. Een paar minuten later echter, kwam dezelfde auto weer naast me rijden, precies op een stuk waar het verder enorm stil was. Ik hield wat in. Verdorie, de auto naast me ging ook langzamer rijden. Ik keek opzij om te zien of er iets aan de hand was en keek recht in het gezicht van een geil grijnzende blonde kerel, die niet op de weg keek, maar alleen naar mij. Ik keek snel weer voor me en gaf gas. Hij ook. Kilometers lang, en alleen in de verte achterlichtjes van auto’s. Pas toen we die naderden en ik van 140 km/h terug ging naar 120 km/h taaide hij af. Ging hij achter me rijden. Goed herkenbaar omdat één van zijn koplampen het niet goed deed. Wat wilde die kerel? Me dwingen tot stoppen? Of dacht hij dat ik als hij maar lang genoeg aanhield ik vrijwillig op de pechstrook zou parkeren en mezelf aan zou bieden? Of was het niets meer dan puur intimidatie?

Later, bij een stoplicht in Antwerpen, kwam er weer een auto naast me gezoefd. Aan een stoplicht is dat natuurlijk te verwachten, dus ik keek even opzij om te zien of deze automobilist misschien wat over mijn auto te melden had. Zat er verdorie weer een geil grijnzende vent in die traag en likkebaardend naar me zwaaide.


Toeschouwers

september 19, 2011


Cult, verrassing en het alledaagse

september 18, 2011

Het was zo’n dag waarbij niets lekker liep, ik het gevoel had overal alleen voor te staan en gefrustreerd was over dingen die ik daardoor niet voor elkaar kreeg. Op de stapel onbekeken video’s lag nog “Im Lauf der Zeit” van Wim Wenders uit 1976.

Zwart-wit, Duits gesproken, Italiaans ondertiteld en 175 minuten durend. Een roadmovie zonder spannende plot of flitsende actie. De film had de sfeer van een landerige zomerdag waarop alles traag gaat en de tijd uitgerekt lijkt. Maar toch wist hij te boeien, van begin tot eind. Natuurlijk genoot ik van de fijn absurde scenes die de film rijk is, maar waar ik me echt over heb verbaasd is  hoe doodgemoedereerd de dagelijkse gebeurtenissen langs kwamen dobberen.

Dat de hoofdpersoon zich piemeltjenaakt staat te scheren achter deur van zijn vrachtwagen vond ik voor 1976 best gewaagd. Ik ben natuurlijk gewend aan Amerikaanse films waarin dames na een heftige vrijscène negen van de tien keer kuis een laken om zich heen slaan om in een soort Griekse toga het kleine stukje naar de badkamer te lopen. De man blijft doorgaans met het tweede laken, opgetrokken tot net boven schaamhaargrens, in bed liggen om haar bewonderend na te kijken. Deze man vree niet maar schoor en was naakt omdat hij naakt was. Punt.

Nog verder ging het in de scene waarin een medewerker van een bioscoop duidelijk zichtbaar masturbeert. Precies omgekeerd als in de Amerikaanse films. Zijn bovenlichaam verborgen achter de projector, maar erectie en op en neer bewegende hand zonder poespas in beeld. Alsof het normaal is – wat het ergens natuurlijk ook is.

In deze film hebben de twee mannen elke dag dezelfde kleren aan, douchen nooit, stinken overvloedig en doen wat de natuur ze ingeeft. Zo zegt de blonde op een gegeven moment tegen de donkere dat hij moet piesen (dat is in ieder geval wat ik verstond) en loopt een grote zandheuvel op. Aan de andere kant gekomen gaat hij op zijn hurken zitten. Vond ik wel wat vreemd: mannen piesen naar mijn weten meestal staand en deze man had gewoon een gulp in zijn tuinbroek. Toen hij echter zijn ballen wat naar voren trok en wazig in de verte ging staren dacht ik “Het zal toch niet…” Maar jawel hoor, langzaam verscheen een grote bruine worst onder zijn billen. Uitgepoept nam hij wat toiletpapier, veegde zijn achterwerk schoon en drukte het papier stevig in de drol vast. Ik was verbijsterd. Dat die acteur dat met zo’n gemak even hopla voor het hele camerateam kon doen! Ik raak meteen half geconstipeerd als ik nog maar denk dat iemand me kan horen. Zelfs honden kijken altijd zeer gegeneerd als ze kakkend bekeken worden. Trillend met het achterlijf en met een sorry-hiervoor-blik in de hondenogen. Maar waarom? Waarom bestaat er zoveel gêne voor alledaagse dingen?

De natuurlijkheid waarmee dit in beeld gebracht was werkte bijna bevrijdend. “Im Lauf der Zeit,” Wim Wenders.


Rook om je hoofd

september 17, 2011


Jongetjes worden mannen

september 16, 2011

In het dorp passeer ik een groep jongetjes. Brugklassers, zo te zien. Hun fietsen en tassen zijn nog net iets te groot voor ze. “We gaan tegenwind hebben,” zegt er een. “Welnee man, de wind komt daar vandaan,” sneert de andere die naast hem rijdt en wijst in een richting waar de wind duidelijk niet vandaan komt. Het eerste jongetje heeft gelijk, maar op die leeftijd is gelijk hebben minder belangrijk dan je plaats weten in de hiërarchie. Het jongetje dat niet wist uit welke hoek de wind waaide en voor wie ik al meteen een wrang soort minachting voel, heeft en krijgt het laatste woord.

Daarachter fietsen nog twee knaapjes. “Ik kan bijna niets meer horen,” zegt het jongetje met dikke blauwe bril tegen zijn vriendje, “Maar ik ga echt geen gehoorapparaat nemen hoor. Ik ben niet zot!”

Over een paar jaar zijn ook deze jongetjes mannen. Ik bedenk zo dat de eerste heel onzeker wordt. Niet weet waarmee hij kan behagen. Zich in zijn onzekerheid misschien op zijn beurt afreageert op zwakkeren. Zijn vrouw terroriseert. Van honden houdt. Het misselijke ventje wordt natuurlijk zo’n grote-bekman die ook als volwassene vaak gelijk gegeven zal worden. Zo’n kerel die veel te hard niet leuke grappen maakt en daar vooral zelf om lacht. Die niet kan luisteren. Waar de kassières in de Lidl bang van zijn. Die heel veel vet kweekt en in de zomer mouwloze T-shirts draagt.

Aan het slechthorende jongetje zal waarschijnlijk veel van de middelbare school voorbij gaan. Of misschien haalt hij wat hij overdag mist ’s avonds in. Want lezen kan-ie wel, met die blauwe bril van hem. Daarbij is hij ook nog eens immuun voor het geblaat van de rotjochies. Wellicht komt hij als enige nog min of meer ongeschonden de pubertijd door.


Witte campers

september 15, 2011

Ik was, alweer even geleden, met een kinderlijk enthousiasme de Franse grens gepasseerd en al en flink eind op weg naar Parijs toen ik in een bosrijk gebied langs een lange B-weg een witte camper zag staan met een soort vikingvrouw in bikini-bovenstukje achter het stuur. Ik dacht nog: dat is wel erg optimistisch met dit weer, en vroeg me af waar haar man was. Misschien even gaan plassen. Wel typisch, zo’n volkse vrouw die achter het stuur van de camper zit. Dat is toch meestal de plek van de man. Later, toen ik zelf moest plassen, zag ik alweer een witte camper met dit keer een personenwagen ernaast. Geen mens te bekennen, dus ik kon rustig met mijn rok omhoog mijn ding doen. Misschien waren wat mensen samengekomen om een boswandeling te maken. Ik twijfelde nog even over of ik ook een kleine wandeling zou maken, maar wilde de auto niet zo met alles erin langs de weg laten staan, en daarbij, ik had gewoon zin om door te rijden. Elke kilometer verder van huis betekende een onbekendere en dus spannendere omgeving. Twee rondborstige negerinnen in alweer aftandse witte campers verder viel eindelijk het kwartje. Zeker toen ik zag dat één van hen zwoele sfeerverlichting had gecreëerd met drie grote nep-kaarsen op haar dashboard. Ik zal nooit meer met dezelfde ogen kijken naar witte campers.

Op de terugweg, zo in de buurt van Girona, zag ik dat het er in Spanje wat minder sjiek aan toe gaat. Daar zat een dame in hoge hakken en korte rok op een klapstoel pal bij de ingang van een parkeerplaats. Weer had ik niet helemaal meteen door wat ze daar deed, maar bijna elke parkeerplaats langs die weg leek wel bevolkt te worden door één of meer vrouwen of meisjes. Na de eerste verbazing en lol over mijn naïviteit werd ik er wel een beetje triest van. Stel je voor dat je daar elke dag moet staan, hopend op klandizie, en in dit geval ook nog in de motregen. En waar doen ze het? In de auto van de klant? Lijkt me wel erg gevaarlijk. Ik vind het zo moeilijk voor te stellen dat er mensen zijn, niet eens zo heel ver weg, voor wie dit het dagelijks leven, de realiteit is.


Suggestie

september 14, 2011

“Hier is het dan,” zegt hij, en stop de motor van de bestelbus. Hoekhuis met een nostalgische woonwagen ernaast. Achter het huis de studio. Compleet met tribunes en toiletten. Hij leidt me rond. “Eigenlijk slapen gasten altijd hier in de studio, en niet bij mij in huis. Maar voor jou heb ik een plekje op zolder klaargemaakt.” Vlizotrap. “Lukt het je? Hij is steil hoor. Wat dom van me, je bent acrobaat.”

Nog meer rondleiding. Veel spiegels. Veel foto’s en posters van hem in jongere jaren. Met zijn show. Alles keurig netjes. Overdacht. Zo ook de sjieke donker houten badkamer met grote foto’s van hem. Naakt. “Heb ik laten maken toen ik vijftig werd. Nu zie ik er nog goed uit dacht ik. Nu is het het moment.”

We drinken wijn. Veel wijn. Hij vertelt me over zijn relatie die al zo lang stand houdt omdat ze elkaar de ruimte geven. “Ik ben niet monogaam en mijn vriendin accepteert dat.”

Op het toilet kan ik kiezen uit drie soorten toiletpapier die keurig, schuin onder elkaar, een eigen toiletrolhouder hebben. Ik neem het perzikkleurige.

Die nacht word ik met een schok wakker in het bed bovenaan de vlizotrap. Verdorie, ik heb het gedaan! Terwijl ik het helemaal niet wilde. Ik hem niet aantrekkelijk vind. Hoe kan ik in godsnaam zo stom zijn? Seks vanwege alcohol en een overdosis aan hinten. Nee, nee, nee!

Ik kalmeer. Heb een zwaar hoofd en een droge mond. En weet dat ik na de wijn rechtstreeks naar bed ben gegaan. Alleen.

In de badkamer, ’s ochtends, van plan de suggestie van seks van me af te spoelen, valt mijn oog op een van de grote zwart-witfoto’s. Van hem in volle erectie. Met studiolicht dat weerkaatst op zijn glanzende eikel. Ik sprint de douche in. Waar ik word geconfronteerd met ander levensgroot naakt. Ik staar naar mijn katerige zelf in de cabine-hoge spiegelwand.


Maandag

september 13, 2011


De duiker

september 12, 2011

Ik word wakker met een hete, wollige mond en een nieuw brandgat in mijn kamerjas. De leeslamp is nog aan. Op de wekker naast het lege wijnglas zie ik dat het drie uur is. Drie uur ‘s middags, want ‘s nachts is het niet licht buiten. Mijn boek ligt op de grond naast mijn bed, kaft naar boven, binnenkant verkreukeld. Het moet uit mijn handen gegleden zijn toen ik in slaap viel. Als ik buk om het boek op te rapen valt er een geplette peuk van tussen de lakens. Mijn hoofd bonkt.

Ik klim uit bed. Het begin van een nieuwe dag die alweer zo goed als voorbij is. Ik haat het om in slaap te vallen voordat ik in slaapkleding, in slaaphouding, in het donker in bed lig. Dat betekent dat ik mezelf niet meer in de hand heb, dat ik controle aan het verliezen ben. Alsof ik overvallen ben, letterlijk overvallen door slaap. Ik knoop de kamerjas opnieuw dicht en loop naar de badkamer. De spiegel vermijdend pak ik twee paracetamollen en spoel ze weg met twee glazen water. Ik poets mijn tanden. Klaar voor de dagelijkse confrontatie.

Op de lage tafel in het midden van de woonkamer staat een overvolle asbak. Typisch iets waar Janet zich aan geërgerd zou hebben. Ik zit op de bruin-leren bank en steek een sigaret op. Op de werktafel, in de hoek van de kamer, staat mijn typemachine. Werkeloos. Velloos en stoffig. Een golf van schaamte doet me opstaan. Ik ga achter de typemachine zitten, veeg het stof van de toetsen, draai een vel tussen de rollen en wacht op inspiratie. In mijn hoofd niets dan een doffe, zware leegte. Ik rij mijn stoel naar achteren, strek mijn benen en kijk naar het plafond. Koffie is wat ik nodig heb. En een boterham.

Het plafond is een wirwar van lichtflitsen. Op de achtergrond klinkt een constante ruis. Soms lukt het me voor een paar tellen te geloven dat ik aan een woest stromende rivier woon, de lichtflitsen veroorzaakt door de weerspiegeling van het zonlicht in het bewegende water, de ruis door de kracht waarmee het voorbijraast. Dat ik in een huis woon, alleen. Niet aan alle kanten ingesloten door mensen in flatjes met precies dezelfde kamerindeling als de mijne. Met hetzelfde uitzicht als het mijne.

Als ik voor het raam sta zie ik op smalle-straat-afstand een grijs golfplaten geluidsscherm waar ik nog met gemak overheen kan kijken naar de auto’s die vanuit Den Haag Rotterdam binnenrijden. Een constante stroom auto’s die de stad overspoelt als een kleurige metalen rivier. Veel felle kleuren, afgewisseld met stijlvollere gedempte tinten voor de wat duurdere auto’s. Metalliek is uit, gelukkig. Nu heb ik minder last van de weerkaatsing van zonlicht op de autodaken. Ik werd duizelig van de schittering.

Iedereen is op weg. Iedereen heeft een doel. Iedereen is actief. Ik sta en kijk. Misschien dat iemand, als de stroom bevriest, toevallig in mijn richting kijkt, de eens leverbruine, nu bijna zwarte bakstenen van het flatje ziet met mij voor het raam. En alleen dan, voor die fractie van een seconde, dan even besta ik ook, al is het maar als onderdeel van het decor.

Eens gooi ik mezelf nog eens uit het raam. Dan duik ik in de metalen rivier. Alleen dan zullen ze zich bewust van me worden. Dan moeten ze wel. Alleen dan kunnen ze niet meer om me heen, word ik onderdeel van hun bestaan. Maar niet nu. Nu is het tijd voor een goed glas.


Schaduwkant

september 11, 2011

Soms komt licht uit onverwachte hoek.

En schaduw ook.


Drukkend

september 10, 2011

Donker en drukkend.

Gerommel in de verte, maar zonder regen. Morgen is het is 9 – 11.


Luguber

september 9, 2011

Ik had het al een tijdje niet meer gedaan, maar vandaag googlede ik mijn naam weer eens om te zien of er nog iets nieuws over me op het net te vinden was. Ik zag dat mijn naamgenote uit België actiever is geworden en zelfs een YouTube clipje heeft. De link naar de kapsalon waar zo te zien niets gedaan wordt en waarvan op de foto alleen maar lege stoelen te zien zijn is denk ik ook van haar. Verder is er iemand met mijn voornaam met iemand met mijn achternaam getrouwd en heeft zo nog een naamgenote gecreëerd. Via haar komt Google ander andere met een foto van een huislijk ogende mevrouw op de proppen.

Op de tweede pagina hits kwam ik bij een wel heel bijzondere link. Daar stond dat ik – of een van mijn naamgenoten – mijn sterfdatum zou hebben laten berekenen. Na klikken op de link kreeg ik een doodsprentje voor ogen met mijn naam, een groot kruis en de mededelingen “Het was mijn laatste ziekte. Toen ik genezen was, ben ik gestorven” en “Ze hield van bloemen”. Onder de naam stond de sterfdatum, maandag 07 juli 2041, en de mededeling dat ik – of naamgenote – 75 jaar zou worden.

Het meest lugubere was echter dat boven het prentje een digitale klok stond die aangaf hoeveel dagen, uren, minuten en seconden er nog te leven viel en die onheilspellend aftikte.

Ik kan je wel vertellen dat ik die berekening niet heb uit laten voeren. De leeftijd klopt gelukkig ook niet, al zit hij er verontrustend dicht bij. Mijn Belgische naamgenote is geboren in 1980. Die kan het dus ook niet geweest zijn. Blijft over de aangetrouwde huislijk ogende naamgenote. Ze ziet er op de foto uit alsof ze mijn leeftijd zou kunnen zijn, maar als je je sterfdatum uit zou willen laten rekenen gebruik je toch je eigen naam en niet die van je man? Dan lijkt het alsof je sterfdag met hem verbonden is. Dat als je zou scheiden je opeens iemand anders bent met hoogst waarschijnlijk ook een andere sterfdag als je de berekening erop los zou laten. Bij nader inzien is dat eigenlijk niet eens zo’n gek idee. Misschien heeft ze de berekening wel uit laten voeren voor èn haar getrouwde naam èn die van haarzelf en gekeken waarmee ze het oudst zou worden. Een soort ultieme test om te zien of dit huwelijk wel goed voor haar is.

Naamgenote heeft haar naam nog niet veranderd. Dat zit wel snor daar.


Eenheidsworst

september 8, 2011

Hier hingen ooit Belgisch ogende jurken. Nadat de mevrouw van de winkel overleed legde haar man, die in hetzelfde pand een boekwinkel had, boeken in de etalage die langzaam hun kleur verloren. Tot ook hij het veld moest ruimen.

Een ouderwetse etalage die hoogst waarschijnlijk plaats gaat maken voor de schreeuwerige glazen pui van een winkelketen. Zoals gebeurde bij de dorps-sigarenwinkel/parfumerie die opeens een Zeeman werd. Ik word er niet vrolijk van.


Truc

september 7, 2011

Ik heb een truc voor als ik me niet lekker voel. Voor als ik me zorgen maak over de toekomst en maar blijf malen, in mijn bed lig te draaien en me nergens comfortabel voel. De truc is ontwikkeld toen de nood hoog was, op een nacht aan mijn kant – rechts – van het tweepersoonsbed in een klein appartement achter het Leidse plein in Amsterdam.

Even ervoor had ik de man van dat moment op een leugen betrapt en antwoordde hij met een gesimuleerde hersenbloeding. Niet erg goed voor de onderlinge verhouding kan ik je wel zeggen. En niet goed voor het gevoel van veiligheid en geborgenheid dat ik toen binnen de relatie en onder het dekbed zocht. Later zou blijken dat de man veel meer dan de hersenbloeding simuleerde en ik heb mezelf altijd wijs gemaakt dat ik daar die bewuste nacht heel veel last van had. Ik lag vlak naast iemand die ik helemaal niet leek te kennen en die ik ook liever niet wilde aanraken. Iemand waar een heel vervelende energie vanuit ging. Een situatie waarin ik allesbehalve op mijn gemak was, maar waar ik – ik had toen nog geen auto en was nog niet zo doortastend – niet aan kon ontsnappen.

Dus stelde ik me de krappe badkamer voor. Met het snerpende licht. Hoe het zou zijn om daarin opgesloten te zijn zonder het licht uit te kunnen doen. Als ik zou willen slapen zou ik op de tegelvloer moeten gaan liggen, met mijn heup natuurlijk net op het opstaande randje van de douchebak. Ik zou het verschrikkelijk koud hebben en me uiterst ellendig voelen. Ik kon het al voelen. Bijna.

En jawel hoor, in plaats van kil en onherbergzaam was het bed opeens warm en zacht. En de man die naast me lag net zo irrelevant als een zwak zoemende mug.

Nog steeds komt die Amsterdamse badkamer af en toe van pas.


Ongezond

september 6, 2011

Voor de tweede dag opgesloten met iWeb, iMovie en een terloopse vertaling. Met laptop verhuisd van de eettafel naar bed, waar mijn voeten zelfs onder drie lagen bedbedekking fris blijven. Het eten past zich aan aan de omgeving en gemoedstoestand. Gisterenavond naast twee wortelen een zak Lidl-salt and vinegar chips. Een vergissing. In de gauwigheid niet de lightly salted gegrepen maar deze kunstmatige variant. De eerste hap was smerig, maar ik ben stug doorgegaan. Op de verpakking gelezen dat een van de ingrediënten suiker is. Toch door gegaan. Voelde mijn gehemelte en de binnenkant van mijn wangen rauw worden. Zak leeg gegeten. Smaakte verdacht naar mononatriumglutamaat. Deed me denken aan een vriend die zegt vooral bij mannen te kunnen ruiken wanneer ze veel E621 geconsumeerd hebben. Hun zweet krijgt dan de befaamde groentensoepgeur. Ik snuffel wat rond en lijk het ook te ruiken, die vieze bouillonlucht. En ik ben niet eens een man. Vandaag maar weer gezond eten.


Boodschappen doen

september 5, 2011

Ik zag in het dorp een vrouw fietsen met aardbeirood haar.

Een bebaarde man liep tegen de wind in met opengewaaid jack, waardoor het leek alsof hij geen armen had.

Achter me, bij de kassa, stond een tiener met slechte adem.


Transpiratie

september 4, 2011

Op het deftige feest etaleerden de dames chique jurken en praatten een octaaf hoger dan mevrouwen van mindere status. De heren droegen overhemden, jasjes die al snel over rugleuningen van stoelen gehangen werden, broeken in vreemde kleuren – roze, mosterdgeel en groen – en strooien hoeden. Geen stropdassen, want het feest was informeel. De veelal lichtblauwe overhemden kleurden met de temperatuur van gisteren al snel donkerblauw bij de oksels en op de rug. Haren lagen nat tegen de slapen.

De ceremoniemeester, die van bleek zwetend naar roze en uiteindelijk vuurrood evolueerde, vertrouwde me toe dat hij een flinke isolatielaag had en klopte daarbij ter verduidelijking op zijn indrukwekkende buik. Ik dacht dat goede isolatie de hitte buiten hield, maar het kan natuurlijk ook zo zijn dat de glazen champagne, water en rode wijn die hij aan de lopende band naar binnen goot een weg naar buiten zochten, want al snel was niet alleen zijn gezicht en haar nat, maar ook zijn borst, rug en zelfs de bovenkant van zijn gele broek. Hij zei dat als ik transpireren tijdens een voorstelling zou willen camoufleren ik me in zou kunnen smeren met olie. Dat zou kunnen, antwoordde ik, alleen zou ik dan geen grip op de doeken meer hebben. Maar het zou wel kunnen, hield hij vol.

Later op de dag, na nog wat drankinname, eten en schieten op de liggende wip, hield de ceremoniemeester een toespraak voor de jarige die hij onderstreepte met een ferme scheet. Niemand leek het te horen.

Bij het afscheid vroeg hij me of ik toch niet nog eens wilde denken over optreden in de olie.


Eenrichtingsverkeer

september 3, 2011

Gesprek met deftige meneer na mijn doekenoptreden:

– Mag ik eens vragen, hoe ziet jouw slaapkamer er eigenlijk uit?

– Hoe bedoelt u?

– Nou, heb je daar ook van die gordijnen hangen.

– Ik kan wel vanuit mijn slaapkamer in de vier meter hoge mast springen die in mijn woonkamer staat.

– Maar als je met een man in bed ligt, dan is dat ook niet leuk voor hem. Dan klim je natuurlijk zo de gordijnen in.

– Ik heb mijn prioriteiten.


Elektriciteitscentrale

september 3, 2011

Zelfs de elektriciteitscentrale was mooi vanochtend.

Zo vroeg op de fiets naar het dorp.


Hooien

september 2, 2011

Het gras ligt in ruggen. In de verte de watertoren.


Ochtend op het platteland

september 2, 2011

Vanochtend deed ik de luiken open en zag mijn achtertuin.

Met zonnige schapen.

En ging naar binnen om koffie te zetten.


Boer weet beter

september 1, 2011

Zaterdag de doekenact voor een kennis. In een schuur hier dichtbij. Moest eigenlijk nieuwe solo-mastact zijn maar dat is niet gelukt. Verstuikte voet die lang bleef tegenwerken, onverwachte bezigheden, uitstel en afstel. Soit, doeken wordt het dus. Goed omdat de kennis – net als zijn vrouw voor wie het feest gegeven wordt – nog nooit een doekenact heeft gezien.

Aangekomen in de schuur kijkt kennis angstig omhoog. In de nok kan ik niet hangen omdat een lintzaagmachine te dichtbij staat, dus zal het de vijf meter hoge H-balk worden. Laag, maar niet onmogelijk. Waar is de ladder? De boer van wie de schuur is komt binnen. Geen ladder. Of beter gezegd: wel een ladder, maar te kort. Ik haal mijn zwarte touw uit de auto. Boer werpt het over de H-balk. In één keer. Ik complimenteer hem. Voor ik het weet hangt de boer in mijn touw. Kennis schrikt. Boer brult dat hij dat natuurlijk kan, deed hij vroeger ook. Alleen is hij nu bijna zeventig en kan hij het niet meer. Het is niet moeilijk zegt hij hijgend en geeft op. Gelukkig.

Trainingsbroek aan, rok en laarzen uit, sling met carabiner over schouder en ik klim naar boven. Het touw is dun en snijdt in mijn been. Sling te kort. Nog eens naar boven. De mannen gaan bekijken waar zaterdag het boogschieten plaats gaat vinden. Ik hang het doek in.

Kennis smeekt me zaterdag een mat mee te nemen en niet te pletter te vallen op het beton. Boer kijkt langs zijn neus. Ik doe een leuk valletje in de doeken. Je vloog naar de grond roept de kennis verschrikt. Boer blijft langs zijn neus kijken. De boerin komt binnen. Vraagt of ik haar nog ken.

Rok aan, broek uit – subtiel dacht ik – en broek neemt rok en slipje mee naar beneden. In mijn blote billen. Voor een paar seconden.

Twee rode ontvelde striemen op mijn onderbeen. Klimmen is niet zwaar volgens de boer.


Herfst

september 1, 2011

De dagen worden merkbaar korter, de verwarming moet ’s ochtends aan en de buurman ploegt er lustig op los. De herfst is in aantocht.