Ziek zonder zorgen

januari 9, 2020

Oei, ik kan alleen scherp zien in het midden van mijn focus. Alsof ik een iPhone vergrootglas in mijn oog heb zitten. Ach, denk ik, het is dat virus. Gaat wel weer over.

Oei, hoge bloedsuikers, zegt mijn glucosemeter. Oh ja, da’s waar, dat is wat sommige virussen met je bloedsuiker doen. Over een week zit ik vast weer goed.

Mijn spiegel vertelt me dat mijn gelaatskleur vaalgroen is en mijn gezicht opgeblazen. Mijn haar ziet er moe uit. Nou en? Als je ziek bent mag dat. Sterker nog; ik zou mezelf niet vertrouwen als ik er tijdens mijn ziekteverlof flitsend uit zou zien.

Ik sta wat bibberig op mijn benen en heb moeite met de trap. Dat is helemaal oké. Het betekent zelfs dat ik beter even niet kan trainen. Dat het goed is om met een kruik op mijn borst in bed te hangen. Zonder schuldgevoel.

De overbuurman maakt herrie. Hij is de hele ochtend bezig met afval in een aanhangwagen gooien, het wegbrengen en nieuw afval in de aanhangwagen gooien. Als ik scherp ben kan ik geluidsprikkels niet blokkeren. Maar ik ben niet scherp. De wereld is heerlijk gedempt. Zonder enige irritatie kan ik naar Netflix kijken. De buurman doet maar.

 

 


Eenzaam samen

januari 7, 2020

In de rij aan de kassa van de Lidl sta ik achter een oud mevrouwtje met een rollator. Ze oogt fragiel. Op haar wang zit een pijnlijk uitziende, rode gezwollen plek. Ze zier er verzorgd uit. Kort grijs haar. Nette, goed aansluitende kleding. Ze doet me wat aan mijn moeder denken.

Het mevrouwtje dat op mijn moeder lijkt wacht geduldig. Af en toe zet ze een stapje vooruit, maar legt, als het haar beurt is, niets op de band. Ik wacht nog even af en vraag dan of ze nog boodschappen heeft om af te rekenen. “Nee,” antwoordt ze. “Wij horen bij elkaar.” Ze wijst naar een geblondeerde vrouw in oranje puffer jas die voor haar staat. De blonde vrouw kijkt even om en gaat vervolgens, zonder een woord te zeggen, door met het inladen van boodschappen. Als er afgerekend moet worden haalt het mevrouwtje een grote portefeuille tevoorschijn en betaalt. De kassière vraagt of ze stickers wil om voor pluche dieren te sparen. Die wil ze niet. Ze draait zich om en zegt glimlachend tegen mij: “Maar misschien wilt u ze wel.”

Terwijl het mevrouwtje nog bezig is met het opbergen van haar portefeuille is de blonde vrouw met puffer jas al met de boodschappenwagen op weg naar de uitgang. Ik zie nog net haar stugge oranje rug.