Ik ben je kwijt

februari 8, 2013

Ik ben je kwijt

Ik kijk vanuit een volle zaal
Zie concentratie en tragiek
Je bent ver weg, hebt niemand nodig
Lijkt op te gaan in je muziek

Ook dichtbij ben je nog steeds prachtig
Zo ongekunsteld authentiek
Zo vol van vuur, zo oppermachtig
En ik je ademloos publiek

‘k Herinner me je warme handen
Je blik tot heel diep in m’n ziel
Ik had zo graag diep teruggekeken
Maar was toen nog niet zo subtiel

ref
Ik ben je kwijt
De werk’lijkheid is killer
Dan ik ooit had gedacht
Zonder jou is alles zoveel stiller
‘k Lig wakker elke nacht
Ik ben je kwijt

Ik zag je ’s avonds in pyjama
Je haren viste ik uit bad
Ik zag je ziek en zwak en zielig
Als je weer eens migraine had

Ik wilde niet in het bos gaan lopen
Fijn, met de hond van tante Jo
Of kerst gaan vieren bij je ouders
Echt, voor mij hoefde dat niet zo

ref
Ik ben je kwijt
De werk’lijkheid is killer
Dan ik ooit had gedacht
Zonder jou is alles zoveel stiller
‘k Lig wakker elke nacht
Ik ben je kwijt

Nooit kon jij als mijn geliefde
Die oerkracht van het podium zijn
In het fletse licht van alledaagsheid
Kon ik niet jouw aanbidder zijn

Ik zag niet dat die alledaagsheid
Juist bij het echte leven hoort
ik zie nu dat ik met mijn blindheid
Onze liefde heb vermoord

ref
Ik ben je kwijt
De werk’lijkheid is killer
Dan ik ooit had gedacht
Zonder jou is alles zoveel stiller
‘k Lig wakker elke nacht
Ik ben je kwijt

Dus stap ik terug tot in de massa
En luister slechts naar je muziek
Jij vol van vuur en oppermachtig
En ik je ademloos publiek

Liedtekst door: Esther van Gorp

Advertenties

De fietser

januari 25, 2012

Ongeduldig trommelt hij met zijn vingers op het het licht plakkerige formica tafelblad. Waar blijft die thee nou? De resten van de twee deegachtige croissants die hij als ontbijt naar binnen heeft gewerkt zitten tegen de achterkant van zijn tanden geplakt. “Madame!”. Geen reactie. Het is akelig stil in het keukentje dat aan de grote lege ontbijtzaal grenst. “Oké, dan niet”, moppert hij, vouwt de fietskaart op, stopt hem in de tas die naast zijn stoel staat, trekt de fietsjas die over zijn rugleuning gedrapeerd lag aan en maakt aanstalten te vertrekken. De prijs van de kamer was inclusief ontbijt en gisterenavond bij aankomst al betaald, dus madame zoekt het maar uit met de thee. In de gang nog even slippers vervangen door sokken en wielerschoenen, fiets uit uit het opberghok pakken, handschoenen aantrekken en hij is klaar voor vertrek.

Op de fiets schudt hij snel de milde ergernis van de ochtend van zich af. Boven die twee wielen, handen op het stuur en benen pompend is hij in zijn element. Het ritme van de beweging, het regelmatige aanspannen van de spieren, het gesuis van de banden op het wegdek – binnen de kortste keren is hij één met zijn fiets.

Als hij na anderhalf uur rijden aanzet om de fikse helling te beklimmen die hij die ochtend al op de kaart had ontdekt, knalt het bloed door zijn aderen, voelt hij zijn hart galopperen en hitte van zijn lijf stralen. Zijn spieren kraken terwijl hij zich concentreert op de cadans van het fietsen en het halen van de top.

Door de pure concentratie en lichamelijke inspanning die geen ruimte laat voor de onrust en de angstgevoelens die hem in lijken te halen zodra hij te lang op één plek is, vervaagt beetje bij beetje het zware gevoel dat vaker wel dan niet vlak achter zijn borstbeen huist. Die loden kogel die hem tegen de grond lijkt te willen trekken. De wereld ontvouwt zich voor hem. Bij elke trap op de pedalen voelt hij zich lichter en vrijer worden.

Zo tegen de middag begint hij zich slap te voelen van de honger en besluit een lunchstop te houden in het eerstvolgende dorp dat hij tegenkomt. Hij fietst rustig in de richting van de kerk die hij al van een paar kilometer afstand had zien liggen en komt al snel een patisserie tegen waar ook koffie geserveerd wordt. Hij klik-klakt met zijn wielerschoenen de zaak binnen en bestelt amandelkoeken en koffie bij een zeer vriendelijke oudere dame.

Twintig minuten later en voldaan na twee koppen koffie, een amandelbroodje en een goede croissant stapt hij weer op zijn fiets. Regelmatig trappend fietst hij licht, geur en kleur zijn leven in. Hij geniet van de warmte van de winterzon op zijn lichaam, luistert naar het gekras van vechtende kraaien en het mismoedige geloei van een eenzame koe en snuift de typische wintergeuren op van laaghangende uitlaatgassen, mest en vochtige aarde. Terwijl hij zijn benen maar rond blijft malen ziet hij decor na decor langs schuiven: kale akkers, een eenzame grillig gevormde boom midden in een tot modder getrapt weiland, kronkelende landweggetjes geflankeerd door treurige struiken, een groep vogels die opeens opvliegt uit een veld, een boer op een vuile rode tractor.

Als het begint te schemeren en de energie langzaam zijn lichaam verlaat wordt hij ingehaald door schaduwen van zelfreflectie, angst en oud en nieuw zeer. Laat de loden kogel in zijn borst zich weer voelen en verdwijnt elke vorm van souplesse. Lijkt hij te verstenen. Wordt grijs, koud, star en emotieloos.

Hij stapt af bij het eerste hotel dat hij tegenkomt, neemt een douche, eet een maaltijd zonder die te proeven en gaat zonder het licht aan te doen op het bed in de naargeestige hotelkamer liggen. Hij laat zijn handen over zijn lichaam glijden en voelt onder zijn kleding de spieren, de botten, de warme huid. Hij stelt zich voor hoe het bloed door zijn hart door zijn aderen gestuwd wordt, hoe zijn organen aan het werk zijn zonder dat hij ze bewust aandrijft. Bedenkt dat dat alles opgebouwd is uit cellen en dat die cellen weer uit moleculen bestaan en die moleculen weer uit atomen. En dat zelfs die atomen nog op te splitsen zijn in kleinere deeltjes. Hij kan niet geloven dat hij daarin huist.


Hop paardje hop

januari 16, 2012

Izaäk. Geboren en getogen in West Zeeuws Vlaanderen. Stamhouder van de familie. Een echte boerenfamilie. Het boeren zit hem in het bloed. Nog maar net uit de luiers helpt hij al mee op de boerderij. Zijn eerste taak: de eieren uit het kippenhok halen.

Zijn zuster trouwt met een man van het kadaster. Zijn broer begint een bakkerij. Izaäk blijft op de boerderij. Hij is akkerbouwer en paardenhandelaar. Hij trouwt een meisje dat er als achttienjarige aardig uitziet, maar na het baren van twee zoons veel van haar charme verliest. Ze is een goede hulp op de boerderij, daarover heeft hij niets te klagen. Ook uit een boerenfamilie en niet vies van werken, of het nu op het  land is of in het huishouden. En netjes is ze ook, met haar haar vaker wel dan niet in de krullers. Alle dagen een jasschort voor om de kleren te beschermen en poetsen maar.

Izaäk houdt van de natuur. En vooral van al het moois dat de natuur te bieden heeft. Geen wonder dat hij aandacht heeft voor de meisjes die op zijn paarden komen rijden. De echt leuke meisjes krijgen hun eigen paard of pony en kunnen altijd wanneer ze willen komen rijden. En Izaäk helpt ze dan. Hij steekt er veel tijd in. Sommige meisjes hebben wat moeite met het uiten van hun dankbaarheid, dat heb je zo als ze een jaar of dertien, veertien zijn. Wat ze nodig hebben is een beetje aanmoediging om ze de drempel over te helpen. Hij snapt niet dat Bianca daar meteen zo’n punt van moest maken. En dan nog vragen of zijn vrouw het wel goed vindt wat hij doet. Zijn vrouw heeft toch niets te maken met de paarden? En ja, natuurlijk heeft ze wel eens gevraagd: „Krijg je nou nooit eens een kusje van die meisjes?” Daar is toch niets mis mee? Een kusje is zo erg toch niet?

Izaäk ziet er goed uit voor een man van zijn leeftijd. Vierenzestig is hij alweer. Zijn postuur is nog perfect. Niks geen buikje, geen grammetje vet. Hij mag er best wezen. En de meisjes vinden hem ook interessant. Hij voelt ze naar hem kijken als ze de schuur binnen komen met de paarden. Zelfs als zijn vrouw in de buurt is en ze zo kan helpen zoeken ze nog naar hem. Dat is toch niet voor niets? Meisjes van die leeftijd willen aandacht. En hij kan ze die geven.

Die kleine van de Appelstraat, dat is pas een uitdagertje. Vandaag had ze een gat in haar boek, precies tussen haar benen. Hem maak je niet wijs dat ze daar geen weet van had. Puur uitdagen is het. Kijken hoe ver ze kunnen gaan. Terwijl ze daar zitten op hun paardjes, met de benen gespreid. En hij is er niet vies van, geen enkele gezonde man zou dat zijn. Natuurlijk knijpt hij ze graag net boven de knieën en vindt hij het heerlijk ze te zien kronkelen. Dan legt hij geruststellend een hand op een knie en laat die achteloos naar boven kruipen terwijl ze nog nalachen. Want ze hebben altijd plezier  samen. Soms komt zijn hand wel eens helemaal boven aan. Dan pakt hij de voorkant van het zadel waarop ze zit en trekt het wat beter op zijn plaats, terwijl zijn vingers spelen tussen de geopende benen. Achteloos. Bijna

Alleen die ene keer, met die kleine met het gat in haar broek. Die had hem verrast. Ze was alleen die dag. Het was koud, het moet winter zijn geweest. Alle paarden stonden op stal, stoomwolken blazend. En opeens was ze er, kwam naar hem toe gerend, helemaal opgewonden. Ze wilde hem wat laten zien. „Kijkt u eens, meneer Veraert, wat ik gemaakt heb? Een bordje voor Lady!” Hij zei dat hij het heel mooi vond, dat rode bordje met die witte sierletters die LADY zeiden. Hij dacht dat het paardje er ook wel blij mee zou zijn, pakte haar met zijn linkerhand bij haar rechter bovenarm en greep met zijn rechterhand vol tussen haar benen. Dat wilde ze toch? Dat wilde ze hem toch geven? Niet zo’n stom bordje voor in de stal! Die pony kan toch niet lezen? Hij zou haar eens laten voelen waar ze hem blij mee zou kunnen maken. Natuurlijk wilde ze ook. Niemand zou het weten.

Net als bij die andere, die forse van vorig jaar die zo uitdagend haar kont liet zien als ze brood voor de paarden uit de oude diepvries naast de stallen pakte. Terwijl hij maar één stap achter haar had gestaan. Dat was een onmiskenbaar teken geweest. Hij had haar klem gezet tegen de diepvries waar ze nog voorover tegenaan stond, haar rijbroek naar beneden gestroopt en voor ze wist wat er gebeurde had hij haar gegeven waar ze al weken om had gevraagd. Hij vond snel wat hij daarvoor alleen onder een dubbele laag stof had kunnen voelen. Hij wrong zijn rechter hand voorlangs tussen haar en de diepvries, tussen haar benen, tussen die twee zachte kussentjes, de middelvinger gespitst. Ze schokte toen hij hem naar binnen schoof. Ze gilde niet.

Maar die kleine had zich snel losgetrokken en stond wit, trillend en met een zweep in haar handen achter haar pony. Lady. Hetzelfde temperament als haar paardje. Nou, ze had haar kans gehad.


Cavia’s

december 1, 2011

Buurman Rudolf had vroeger cavia’s. In de zomer zaten ze in een afgezet stuk van de tuin en deden weinig anders dan snuffelen, eten en wat rondscharrelen in het gras en de kleurige houten huisjes die buurman Rudolf voor ze gemaakt had. En ze piepten en honkten af en toe: nare, schrille geluiden. De buurman had haar eens, toen hij de kleine Elke tussen de coniferen door naar de cavia’s had zien kijken, uitgenodigd om zijn tuin in te komen en van dichtbij de cavia’s te aanschouwen. Hij had gezegd dat Elke ze mocht aaien maar uit moest kijken omdat ze konden bijten. Eigenlijk wilde Elke helemaal niet, vond ze de cavia’s maar zenuwachtige, weinig interessante dieren die nu ook nog potentieel gevaarlijk bleken te zijn. Maar onder aanhoudende aanmoedigingen van buurman Rudolf stak ze uiteindelijk toch haar hand uit naar het dichtstbijzijnde bruinwitte knaagdier, om zich nog een fractie van een seconde te kunnen verbazen over de gelijkenis tussen de caviavacht en de haren van de zachte bruine bezem die bij tante Rini in de bijkeuken stond, voordat buurman Rudolf hard “Wrrafff!!!” in haar oor brulde en Elke uit pure schrik de cavia kneep, een felle beet kreeg en het dier twee meter de tuin in katapulteerde. Onder luid gevloek van de buurman had de huilende Elke zich een weg terug tussen de coniferen door naar de eigen tuin geworsteld, haar bloedende hand met haar gezonde hand beschermend.


Niek’s verjaardag

oktober 19, 2011

Langzaam rolt hij uit zijn slaap, ontsnapt uit een koortsachtige droom. Het eerste wat hij voelt is het bonzen in zijn hoofd en het kloppen van de zware donkere zakken onder zijn ogen. Hij ligt op zijn rechter zij. De zwaartekracht drukt onbarmhartig op zijn lichaam en duwt hem diep in zijn matras. Zijn ribben kraken. Het vlees dat als gelei om zijn botten lijkt te hangen ligt lillend uitgezakt op het onderlaken. Zijn hoofd zinkt weg in zijn kussen. Zijn rechter wang registreert elke vouw, elke oneffenheid. Het is alsof de zijkant van zijn gezicht met het weefsel van de sloop is vergroeid. Straks staat hij op en merkt dat het kussen als een enorm gezwel aan zijn wang blijft hangen. Lastig douchen. Het beeld van zichzelf als schepping van Picasso geeft hem de bovenmenselijke energie die nodig is om zijn betonnen hoofd tien centimeter op te tillen en de stof van zijn wang te scheiden. Hij voelt aan de koude vochtige luchtstroom tussen zijn hoofd en het kussen dat het zweet zijn haar aan zijn hoofd en oor moet hebben vastgeplakt. Dat zal wel weer een fraai gezicht zijn. Hij geeuwt. Ruikt camembert. Hij wil zijn ogen open doen maar zijn oogleden zijn metalen rolluiken die aan stugge staalkabels omhoog gehesen moeten worden. Eindelijk lukt het hem ze op een kier open te krijgen. Ergens achterin zijn hoofd zit, behalve die loden bal die bewegen zo pijnlijk maakt, onrust. Het gevoel dat er iets ergs is gebeurd of te gebeuren staat. Is het een overblijfsel van zijn droom? Of iets wat gisterenavond is gebeurd? Hij heeft toch niet – met dat meisje – hoe heette ze – Hetty? – hij vliegt omhoog, draait zich met een ruk om en zakt opgelucht weer terug tussen de lakens als hij ziet dat de linker helft van zijn tweepersoonsbed leeg is.

De gordijnen uit de keuken van zijn ouders kleuren het licht in de kamer groen. Net als in een aquarium. Met zijn ogen tot spleetjes geknepen ziet hij de algen zweven. Zo voelen vissen zich dus, maar dan zonder de hoofdpijn. Hij kijkt naar het streepjesbehang; pastelgroen – wit – pastelgroen – wit, elf banen tot aan het raam, ziet de zwarte IKEA-boekenkast met dossiermappen, de werktafel met de computer. Was het dat? Is er iets vervelends op zijn werk gebeurd? Moet er nog iets afgemaakt worden? Maar nee, dit gevoel hoort niet bij zijn werk. Het moet iets anders zijn, iets privé’s.

Hij schuift zijn benen over de rand van het bed, slaat het dekbed terug, sjort zijn lichaam recht en blijft even met zijn hoofd in zijn handen zitten. Leegte. Hij staat moeizaam op, trekt de door zus Erika gebreide zwarte trui met V-hals over zijn hoofd, over zijn blauw met paarse badstof pyjama, schuift zijn voeten in zijn vaders sloffen en loopt de trap op naar de woonkamer. In de open keuken zet hij koffie. Met de mok in zijn hand gaat hij zitten op de rode imitatie-Gelderland-bank. Volgens Shanna is de woonkamer saai en typisch mannelijk. „Een beetje kil,” zei ze „en sfeerloos.” Maar waarom dan? Alles is toch vrolijk en kleurig; het zwembadblauwe tafeltje, de rode en gele lampjes, de groen met zwarte eettafel, de ingelijste filmposters. Hij heeft zelfs vetplantjes op de vensterbank. Wat wil ze nog meer? Of was het minder een opmerking over zijn kamer dan over hemzelf? Vond ze hem een typisch mannelijke man? En was dat dan wel een compliment? Wat doet het er ook toe, hij was snel genoeg op haar uitgekeken. Alles, maar dan ook alles draaide bij haar om uiterlijk. Zo erg zelfs dat hij op den duur alleen nog maar aan haar kon denken als zittend op de opnieuw beklede sofa in haar perfect ingerichte woonkamer, kopje thee in de hand, kijkend naar de muur, naar de drie schilderijen die daar hangen, zich afvragend of drie wel het juiste aantal is, of ze qua kleur wel zo goed bij elkaar passen als ze eerst dacht en of ze het Mariabeeld nu rechts of links op het antieke bureautje moet zetten om het geheel het best tot zijn recht te laten komen. Voor wie in godsnaam? Zij die eerst zo perfect, zo interessant, zo onbereikbaar leek werd in zijn gedachten een verveelde snob die ‘s avonds voor de rest van de wereld haar snelle masker, snelle kleren en wereldse uitspraken uit de kast haalde om als herboren te verschijnen: arty, koel, bewonderd, benijd. Voor hem hield het op toen hij haar niet mocht kussen omdat ze net een nieuwe laag lippenstift had aangebracht.

Hij bukt zich om een slok van zijn koffie te nemen en schrikt van het gezicht dat hem vanuit de mok aanstaart. Goed dat hij vanochtend niemand had om overheen te hangen en te kussen, met zijn zure bek en slappe gezicht. Een trillend masker met uitpuilende ogen en hangende wangen. Vlees dat los komt van het bot. Ontbinding. Hij drinkt en blaast zijn spiegelbeeld tot rimpels.

Eigenlijk vind hij het wel prima, zo alleen wakker worden. ‘s Ochtends is hij niet op zijn best. Dan is hij liever alleen in zijn huis met drie kamers. De ruimte. Niemand die zegt wat hij moet doen. Niemand die opmerkingen maakt over de inrichting van zijn kamer, zijn eetgewoonten, zijn stinkende pyjama. Niemand die zegt dat de WC moet worden schoongemaakt. Hij kan smekken, zweten, slurpen en schijten wat hij wil. Hoeveel en hoe lang hij wil. Al plakken de korsten stront aan de binnenkant van de pot. Al kraakt zijn pyjama als hij het jasje over zijn hoofd trekt. Het gaat niemand iets aan.

De koffie trekt door zijn hoofd, laat het suizen, verkrampt de huid op zijn voorhoofd. Opeens plopt er iets in zijn hersenen en weet hij wat er aan de hand was, waarom hij vandaag niet wakker wilde worden. Hij is jarig. Drieëndertig wordt hij. Hij loopt naar de keuken en kijkt uit het raam, door de kale boomtoppen van het Wilhelminapark, naar de klok op de kerktoren. Half twee. Over een uur komen zijn ouders, Steef en Erika en Alec met de kinderen. En dan moet hij paraat staan, laten zien dat het oké is om drieëndertig te zijn, dat hij helemaal geen problemen heeft met zijn leeftijd. Hij moet gedoucht hebben, de WC moet worden schoongemaakt, de kamer opgeruimd en gestofzuigd en er moeten gebakjes komen.

Hij loopt terug naar de bank, pakt zijn mok en kijkt naar buiten. Over de grijs met blauwe eengezinswoningen, het water, de fietsersbrug, langs de bomen en de heimachines, naar de grijze lucht die in de verte de grond raakt.


De duiker

september 12, 2011

Ik word wakker met een hete, wollige mond en een nieuw brandgat in mijn kamerjas. De leeslamp is nog aan. Op de wekker naast het lege wijnglas zie ik dat het drie uur is. Drie uur ‘s middags, want ‘s nachts is het niet licht buiten. Mijn boek ligt op de grond naast mijn bed, kaft naar boven, binnenkant verkreukeld. Het moet uit mijn handen gegleden zijn toen ik in slaap viel. Als ik buk om het boek op te rapen valt er een geplette peuk van tussen de lakens. Mijn hoofd bonkt.

Ik klim uit bed. Het begin van een nieuwe dag die alweer zo goed als voorbij is. Ik haat het om in slaap te vallen voordat ik in slaapkleding, in slaaphouding, in het donker in bed lig. Dat betekent dat ik mezelf niet meer in de hand heb, dat ik controle aan het verliezen ben. Alsof ik overvallen ben, letterlijk overvallen door slaap. Ik knoop de kamerjas opnieuw dicht en loop naar de badkamer. De spiegel vermijdend pak ik twee paracetamollen en spoel ze weg met twee glazen water. Ik poets mijn tanden. Klaar voor de dagelijkse confrontatie.

Op de lage tafel in het midden van de woonkamer staat een overvolle asbak. Typisch iets waar Janet zich aan geërgerd zou hebben. Ik zit op de bruin-leren bank en steek een sigaret op. Op de werktafel, in de hoek van de kamer, staat mijn typemachine. Werkeloos. Velloos en stoffig. Een golf van schaamte doet me opstaan. Ik ga achter de typemachine zitten, veeg het stof van de toetsen, draai een vel tussen de rollen en wacht op inspiratie. In mijn hoofd niets dan een doffe, zware leegte. Ik rij mijn stoel naar achteren, strek mijn benen en kijk naar het plafond. Koffie is wat ik nodig heb. En een boterham.

Het plafond is een wirwar van lichtflitsen. Op de achtergrond klinkt een constante ruis. Soms lukt het me voor een paar tellen te geloven dat ik aan een woest stromende rivier woon, de lichtflitsen veroorzaakt door de weerspiegeling van het zonlicht in het bewegende water, de ruis door de kracht waarmee het voorbijraast. Dat ik in een huis woon, alleen. Niet aan alle kanten ingesloten door mensen in flatjes met precies dezelfde kamerindeling als de mijne. Met hetzelfde uitzicht als het mijne.

Als ik voor het raam sta zie ik op smalle-straat-afstand een grijs golfplaten geluidsscherm waar ik nog met gemak overheen kan kijken naar de auto’s die vanuit Den Haag Rotterdam binnenrijden. Een constante stroom auto’s die de stad overspoelt als een kleurige metalen rivier. Veel felle kleuren, afgewisseld met stijlvollere gedempte tinten voor de wat duurdere auto’s. Metalliek is uit, gelukkig. Nu heb ik minder last van de weerkaatsing van zonlicht op de autodaken. Ik werd duizelig van de schittering.

Iedereen is op weg. Iedereen heeft een doel. Iedereen is actief. Ik sta en kijk. Misschien dat iemand, als de stroom bevriest, toevallig in mijn richting kijkt, de eens leverbruine, nu bijna zwarte bakstenen van het flatje ziet met mij voor het raam. En alleen dan, voor die fractie van een seconde, dan even besta ik ook, al is het maar als onderdeel van het decor.

Eens gooi ik mezelf nog eens uit het raam. Dan duik ik in de metalen rivier. Alleen dan zullen ze zich bewust van me worden. Dan moeten ze wel. Alleen dan kunnen ze niet meer om me heen, word ik onderdeel van hun bestaan. Maar niet nu. Nu is het tijd voor een goed glas.