In de wachtkamer

januari 3, 2017

“Hosker!” zegt de bejaarde vrouw als ze hoort dat de huisarts weg is voor een spoedgeval. Ze gaat zitten en kijkt om zich heen. Ik kijk naar haar. Naar haar pimpelpaarse skijack, grijze wollen broek en gezondheidsschoenen. Ze begint te praten. Met mij. Ze praat over haar wasmachine, haar Miele, haar tweede nog maar. Over hoe haar witte was de witste was is die er bestaat. De mensen nu kunnen dat niet meer, wit wassen. Witte was van nu is groezelig. Maar die van haar niet. Al wast ze hem niet meer op 90 graden. Als ze een nieuwe moest kopen zou ze een 7 kilo model nemen. Want hij zit soms toch wel vol. Ze lacht hard.

Ik kijk naar haar tanden. Ze zijn nog maar zo’n twee millimeter lang en afgebrokkeld. Ik moet denken aan een oude haai.

Ze vertelt over haar CV-ketel die ze al 30 jaar heeft. Volgens de monteur moet hij maar één keer in de twee jaar nagekeken te worden. Omdat de lucht in Oostburg zo schoon is. Veel schoner dan in Terneuzen. In Terneuzen gaan de CV-ketels niet zo lang mee.

Ze praat over de Marokkanen in Vlissingen. Over dat ze wel eens door zo’n straat gelopen heeft. Met junks en van die mensen. Dat was toch wat.

Ik kijk star voor me uit en antwoord niet meer. Ik concentreer me op de pijn in mijn buik en mijn rug.

“Kijk,” zegt ze tegen haar man terwijl ze naar een kunststof draad wijst met een haakje eraan. “Dat is voor de fiffi.” “Wat?” vraagt de man. “De fiffi!” “Oh, wifi,” zegt de man. “Maar neen, dat is om de lijsten op te hangen.”

Ik word binnengeroepen door de huisarts.

 


Ring

december 22, 2015

“Ik zou graag een ring passen die ik in de etalage heb gezien.”
“Wijst u hem maar aan, dan pak ik hem voor u.”
“Het is die gouden met rode steentjes.”
“Deze?”
“Nee, eentje naar rechts.”
“Deze?”
“Ja.”
“Ik moet u teleurstellen. Deze ring heeft donkerblauwe steentjes. Heel donkerblauw. Kijkt u maar.”
“Ik zie het niet.”
“Sinds we zijn overgestapt op LED-verlichting kun je hier binnen de kleuren niet zo goed meer zien.”
“Mag ik hem passen?”
“Maar de steentjes zijn donkerblauw.”
“Ik vind hem mooi.”
“Alstublieft.”
“Hij past precies. Ik neem hem.”
“Dat is een teken. Maar weet u het zeker? De steentjes zijn donkerblauw.”
“Ik vind hem mooi.”
“Veel mensen denken er langer over na.”
“Ik wil hem graag. Ik vind hem mooi.”
“Weet u zeker dat het de goede maat is? Groter maken kost extra geld.”
“Hij is perfect. Dezelfde maat als mijn andere ring.”
“Een ring moet niet te klein zijn. Maar ook niet te groot.”
“Ik wil hem graag kopen. Hij is perfect.”
“Weet u het zeker?”


Bij de juwelier

december 17, 2015

Ik ben bij de juwelier. De watermanhanger van mijn moeder is opgepoetst en fonkelt. De juwelierster nodig me uit om voor de spiegel plaats te nemen. Zodat ik kan zien hoe de hanger staat aan de kortere ketting die ik wil kopen. De hanger is mooi, maar ik val wat uit de toon. Ik draag nog steeds mijn trainingsjasje van vanochtend.

Ik vraag de juwelierster of ze eventueel een bijpassende ring heeft. Ze leidt me langs de etalages en laat me een heleboel ringen zien. Ze geeft uitleg. Over groeimogelijkheden, herkomst, materialen. Ik vind de ringen niet mooi. Ze vraagt of ik er eentje wil passen. Ik zie dat mijn handpalmen nog zwart zijn van het hars van de training van vanochtend. Ik sla haar aanbod af.


Service

oktober 27, 2015

Ik snel naar de balie van de apotheek. Het is nog niet mijn beurt. “Zou ik het toilet mogen gebruiken?” vraag ik aan een blonde assistente. “Ik heb een blaasontsteking.” Het blonde meisje antwoordt dat de apotheek geen openbaar toilet heeft en dat ik naar het Ledeltheater kan gaan. Ik kijk haar verbluft aan en ga weer zitten. Ik heb pijn en moet om de haverklap plassen. Urine en bloed.

Ik hoop dat ik het red tot ik bij mijn auto ben die op de markt staat. In mijn auto heb ik een plastic yoghurtbakje. In geval van nood plas ik daarin. Midden op de markt. Zonder met mijn ogen te knipperen.

Eindelijk ben ik aan de beurt. Mijn dokter moet gebeld worden omdat het recept nog niet binnen is. De blonde assistente zegt dat ik het toilet toch mag gebruiken. Het is op wonderbaarlijke wijze openbaar geworden.


Voetbal

oktober 19, 2015

Ik hoor buiten kinderstemmen. Hard. En gebonk. Ik kijk uit het raam. Ik zie geen auto met portieren die net dichtgegooid zijn. De kinderstemmen klinken nog steeds. Ik kijk naar links en zie een voetbal vanachter de heg rollen. Een jongen van een jaar of twaalf rent erachteraan. Hij heeft blote voeten. Twee jongere mannetjes komen in beeld. En verdwijnen weer. Achter de heg.

Ik ga naar buiten. Leun semi-relaxed op een elektriciteitskastje. De jongens kijken op van hun spel. Ik vraag ze of het niet gevaarlijk is, voetballen zo vlak langs de doorgaande weg. De oudste knikt en zegt dat ze dat ook al bedacht hadden. Dat ze hier spelen is omdat ze geen ander veldje kunnen vinden.

Ik vertel ze dat er een eindje verder een heus voetbalveldje is. Achter de kerk. De jongetjes kijken verheugd. De oudste neemt de bal onder zijn arm en gedrieën lopen ze in de richting die ik ze wijs.

Ik voel me een beetje schuldig. Ik vraag me af of ik wel echt medemenslievend bezig was. Of dat ik me alleen ergerde. Het is vast een mengeling van de twee.


Herrie

oktober 7, 2015

Ik lees. Ik probeer me te concentreren op mijn tekst. Het lukt me slecht. Bij de overburen wordt een terras aangelegd. De terrasman heeft een radio aan staan. Ik hoor het continue gebrom van stemmen.

Ik probeer me niet te ergeren. Ook dat lukt maar met mate. Ik hoor motorgeronk. En het gesnerp van een slijptol.

Ik kijk naar buiten. En zie de terrasman. Met gehoorbescherming.


Ongewenste muziek

september 6, 2015

Om half twaalf ’s nachts word ik wakker. Muziek bonkt in mijn kamer. Even denk ik dat de muziek uit een langsrijdende auto komt. Het bonken houdt aan. Ik vraag me af waar het vandaan komt. Ik ben klaarwakker. Ik loop naar het raam. Er staan geen extra auto’s op de parkeerplaats. Dus een feest in het dorpshuis is het waarschijnlijk niet. Ik doe oordopjes in en ga slapen.

Om half twee word ik weer wakker. Ik vraag me af of mijn oordopjes uit kunnen. Ik haal ze uit mijn oren. Ik hoor het bonken van muziek. Ik doe de oordopjes weer in.


Maaigeweld

augustus 18, 2015

De man van de groenvoorziening knettert met zijn heupmaaimachine door de straat. Hij heeft een lange baard. Ik denk aan ZZ Top. De grasstengels en bermbloemen vallen met bosjes. Ik gluur voorzichtig naar buiten om te zien of de planten aan de onderkant van mijn wijnrank gespaard zijn gebleven. Dat zijn ze.


Knoppen

juli 7, 2015

Vroeger moest ik twee kilometer fietsen om een brief te posten. Nu loop ik de straat uit, ga de hoek om en zie een oranje brievenbus. Ook zie ik een wit bestelbusje met Belgisch kenteken. Drie mannen zijn druk in de weer met planken, die ze in de bestelbus gooien. Ik vraag of ik zo brutaal mag zijn te vragen of ze wat in het busje ligt van plan zijn weg te gooien. Dat zijn ze. Ik vraag of ik de porseleinen knoppen zou mogen hebben die op sommige deurtjes zitten.

Een kwartier later wandel ik naar huis met tien mooie knoppen in mijn handen.

Ik ben aan het stofzuigen. Er wordt aangeklopt. Een van de mannen staat voor de deur. Met in zijn hand nog twee knoppen. “We vonden ze toen we aan het uitladen waren. En omdat je verteld had waar je woonde…”


Inkijk

juli 3, 2015

T is al een paar dagen bezig met het schuren, houtrotbehandelen en lakken van de kozijnen. Om beschadiging te voorkomen heeft hij de glas-in-lood-raampjes in de keuken weggehaald.

Ik zit aan de keukentafel. Wakker te worden. De buurvrouw wandelt langs. Ze kijkt naar binnen en zwaait. Ik zwaai niet terug. Tien minuten later komt de buurvrouw weer langs. Ze kijkt nu door het raam aan de oostkant naar binnen. Ik hang de glas-in-lood-raampjes weer op.


In het dorp

juni 24, 2015

Ik ga naar de ijzerwarenzaak. Ik koop er drie magneetsysteempjes om kastdeuren te sluiten. Los uit een bakje. In plaats van per twee, in plastic en op een kaartje.

Ik koop verse knoflook op de markt bij de groentenkraam. Naast me staat een norse man. Hij graait kersen uit een bak en steekt ze in zijn mond. De pitten gooit hij op de grond. De verkoper gunt hij blik noch woord.

Bij de apotheek word ik verrast door twee in zwart met geel geklede mannen die vragen waar “hij” is. “Hij is zich aan het wassen bij de fontein,” antwoordt de vrouw achter de balie. “Hij zal wel weer methadon willen,” zegt een van de twee mannen die politieagenten blijken te zijn. “Kun je hem geen apotheekverbod geven?” vraagt hij. De vrouw schudt het hoofd en zegt dat ze zorgplicht heeft. “Dan komt-ie weer terug,” weet de agent.

Ik rij naar huis door de polder. En scheld op de zoveelste auto die stil staat op een kruispunt.


Goedemorgen met God

juni 19, 2015

Ik zit in de keuken. Er wordt hard op de voordeur geklopt. Binnen een paar seconden open ik de deur. “Goedemorgen schone slaapster,” zegt een grijze man in een mosterdgele broek. Hij kijkt vanachter zijn bril naar mijn peignoir. Ik voel verontwaardiging opborrelen. De grijze vrouw die naast hem staat zegt niets, maar glimlacht schaapachtig. “Het is wellicht wat te vroeg voor u om het over God te hebben,” vervolgt de man met een brede grijns. De vrouw grijnst ook. “Of het nu vroeg is voor mij of niet, ik heb nooit de behoefte om over God te praten,” zeg ik. De man grijnst nog steeds als hij me goedemorgen wenst. De vrouw kijkt wat verward.


Duiven

juni 1, 2015

“Je hield toch niet van duiven hé buurvrouw?” vraagt buurman. “Ik heb er drie dagen geleden 52 afgeschoten. Binnen het uur. En mijn vriend 45.”

De volgende ochtend word ik – heel vroeg – wakker gekoerd.


Buurman

april 17, 2015

Er wordt aangeklopt. Ik open de deur. Ik zie een man met ronde brillenglazen, strenge ogen, kort haar en een blauw ketelpak met het logo van de Dow. “Goedemorgen,” zeg ik.

De man blijkt de buurman te zijn. Ik heb buurman één keer eerder gezien. Toen droeg hij geen ketelpak.

Buurman vraagt of hij onze deur ook even moet schuren. Hij is nu toch bezig. Ik antwoord dat ik dat wel chique zou vinden. “Gaat er daarna olie op?” vraagt hij. Ik vertel hem dat we blanke Rambo-beits hebben gekocht. Speciaal voor de deur. Buurman kijkt naar het beitsblik. “Olie is veel beter. Veel minder chemicaliën,” zegt hij. “Maar je moet het zelf weten.”

Buurman vraagt of hij de deur even voor ons moet beitsen. Ik antwoord dat ik dat wel chique zou vinden.

Buurman roept me. “Moet je hier eens kijken,” zegt hij en wijst naar een stuk deur dat hij al gedaan heeft. Ik vind het mooi. “Dat ziet er toch niet uit? Veel te licht.” Buurman’s kozijnen zijn jaren-tachtig-bruin.

Buurman vraagt of hij voor het dorpsfeest onze ramen mag wassen. Zodat de mensen zullen denken dat dit een nette straat is.  Ik antwoord dat ik dat wel chique zou vinden.


Nadere kennismaking

maart 7, 2015

De overbuurman ligt onder mijn auto. Hij probeert met een krik de achteras omhoog te krijgen. Buurman M, die ik nog niet eerder heb ontmoet, moedigt hem aan.

Ik heb mijn auto vastgereden tegen een autotransportwagen van de Dethon. De Dethon-man heeft de gewoonte zich met zijn wagen naast de mijne te persen. Ook als er eigenlijk te weinig plaats is. Vandaag ging het mis.

De buurmannen hebben mijn auto omhoog gekregen. Samen duwen we, en warempel, we verschuiven mijn auto zo’n acht centimeter. De overbuurman biedt aan om hem veilig vrij te rijden. Ik geef hem mijn sleutels. Hij rijdt de auto vlotjes los, manoeuvreert hem van de parkeerplaats en zet hem zo’n veertig meter verder.

Ik bedank de buurmannen en nodig ze uit voor de borrel die ik ga geven als het wat warmer is en we het huis op orde hebben.

De schade valt enorm mee. Die extra kras heb ik graag over voor de twintig minuten plezier met de buurmannen.


Postkantoor

oktober 29, 2014

Een oudere vrouw staat aan de balie. Brabants accent. Plastic regenkapje. Bril. Beige jas. Ze vertelt over alle betaalpassen en kaarten die ze in haar portemonnee heeft. Ze kijkt om om me bij het gesprek te betrekken. Ze zegt haar bloemenpas bij de bloemist te hebben laten liggen. Toen ze terugging bleek er een kaart te zijn gevonden. De hare. Ze wist het zeker. Maar haar naam stond er niet op. De vrouw van de bloemist vroeg of ze haar naam op de pas had geschreven. Ze zei dat ze het niet wist.

“De volgende keer zeg ik dat hij van mij is hoor,” zegt de vrouw als ze naar buiten stapt. “Salut!”


Vienger

oktober 22, 2014

Ik heb net mijn pakje afgegeven bij het postkantoor. M, vanachter de balie, vraagt aan de vrouw die na mij komt of ze eerst even naar het toilet mag. “Ejje je vienger wel opgestoken?” vraagt de vrouw. M lacht en zegt dat ze al een tijdje nodig moet en dat de vorige klant maar niet ophield met praten. “Dan doe je moa zjirre deu meisjn, anders worrut zwon natte boel.”


Bezoek

augustus 13, 2014

Hij staat opeens voor me. Buiten. Terwijl ik de luiken aan het openen ben. In peignoir. Ik. Niet hij. Hij vraagt hoe het gaat. Of we op de boerderij blijven wonen. Zegt het jammer te vinden niet op de uitvaart te kunnen zijn geweest. Maar zijn zoon. Die tandarts is. Die het druk heeft. Die ver weg woont. Duitsland. En de reis was geboekt. Maar hij wil weten hoe het is. Met mij.

Vroeger kwam ik met de bus naar Oostburg en liep ik het laatste stukje naar hier. Zegt hij. Dus. Ik dacht. Ik doe het weer.

En de boerderij ligt er mooi bij. Zegt hij. Dankzij T. Moet T ook weg? Moet die het nu maar uitzoeken?

Hij wist trouwens wel dat het eind nabij was. Hij had een vriend. Ook ALS. Daar was-ie de laatste dag nog. Maar die kon niet meer praten. Net wat intypen op de computer. Hij heeft hem in een coma zien zakken. En heeft de vrouw geroepen. Vijf uur later was hij dood.

Schapen zijn leuk. Zegt hij. Zeker als je ze zelf niet hoeft te ontwormen. En verweiden. We verweiden ze wel. Zeg ik. 


Rubber ring

juli 29, 2014

Ik laat de meneer in de ijzerwarenzaak mijn sproeier zien. En de rubber ring die niet niet meer helemaal “je dat” is. De man pakt een bak rubber ringen. Graait er wat in. Zegt dat het een lastig ringetje is. Dat hij dat niet heeft. Hij vraagt waar ik de sproeier gekocht heb. De sproeier komt uit Indonesië. “Niet verder weg?” vraagt de man. Hij ontbloot zijn tanden en ik zie brede, zwarte rouwranden om zijn tandhalzen zitten. Volgens hem moet ik contact opnemen met de fabriek. Ik groet hem.

Bij de Gamma koop ik een nieuwe slang. Mèt ring. Die perfect op de sproeier past.


Communicatie

juni 25, 2014

Ik ben ziek. Lig te woelen in bed. Ik moet een brief naar de notaris brengen. Tegen het eind van de middag hijs ik me in makkelijk zittende trainingskleding. Ik rij naar het dorp.

De notaris bekijkt me van boven naar onder. En weer terug. Hij zegt: “U bent gaan sporten?” Ik zeg: “Ja.”


Hallucinant

mei 8, 2014

Bij de Gamma. Ik vraag een vriendelijke meneer in blauw Gamma-kostuum of de Gamma ook schuursponsjes heeft om metaal mat mee te polijsten. De meneer weet meteen wat ik bedoel. Binnen de minuut sta ik met een schuurpad aan de kassa. Voor me in de rij kiepert een man zijn Gamma-mandje leeg op de kassaband. Hij zet het mandje op de vloer naast de kassa en geeft er een trap tegen. De man rekent af. Ik kijk naar de tatoeages van de kassière. Ze bedekken haar hele onderarm. Ik hoop maar dat de naam, die ik op haar arm en op het zilveren kettinkje om haar hals lees, van haar is en niet van haar vriendje. Of dat ze voor altijd en eeuwig van het vriendje zal blijven houden.

De man voor me heeft geen scheidingsbordje neergelegd achter zijn spullen. Dus doe ik het. Ik leg mijn schuurpad op de band. En achter de pad positioneer ik een volgend scheidingsbordje. Ik reken mijn pad af. Tijdens het afrekenen komt een meneer aan de andere kant van de kassa staan. Hij wappert met een bon en wil mijn schuurpad pakken. De kassière zegt dat ik die juist heb afgerekend. De man zegt dat de pad van hem is. Hij laat zijn kassabon zien en zegt “Kijk maar!” De kassière zegt dat ze naar de videobeelden van de kassahandelingen moet kijken om te zien of de man gelijk heeft. “Ik had net de laatste pad gepakt,” zegt de man. Hij zwaait met de kassabon naar mij. “Dat is toch ongelofelijk!” roept hij. Ik pak mijn net betaalde pad. Hij kijkt me boos aan. En smaalt: “Nou, als je hem hebt afgerekend zal het wel goed zijn hè?”

Misschien is er iets met me aan de hand.


Kleine cadeautjes

mei 7, 2014

De lucht was grijs. Zodra ik een stap met mijn feloranje-paarse hardloopschoenen buiten zette, brak de zon door. Niet lang nadat ik weer binnen was begon het te regenen.

Mijn garageman maakte het losse slangetje van de sproeivloeistof vast en vulde het reservoir voor me bij.

De mevrouw van de kringwinkel gaf me gratis een riempje omdat het toch maar van plastic was.

Ik vond een vintage spiegel om de door mijn val gebarsten spiegel mee te vervangen.

Het amandelmeel in de natuurvoedingswinkel was niet op.

En de man van het staalbedrijf hield de deur voor me open.


Pakketje

december 21, 2013

Ik rijd naar het dorp om nog snel een pakketje te posten. Vlakbij de brievenbus kom ik erachter dat ik vergeten ben postzegels te plakken. Op de rotonde neem ik de vierde afslag. Terug in het dorp parkeer ik mijn auto naast de brievenbus. En vloek als ik de brievenbusversmaller zie zitten. Op de versmaller staat uitgelegd dat die geplaatst is om te voorkomen dat er vuurwerk in de bus gegooid wordt. En dat dikke enveloppen op het postkantoor afgegeven dienen te worden. Op zaterdagmiddag is het postkantoor dicht. Ik rijd naar de volgende brievenbus. Ook een versmaller. Ik check nog even de brievenbus die voor de Aldi staat. Daar is de hele brievenbus verdwenen. Veel te hard rijd ik naar huis.


De weg kwijt

oktober 4, 2013

Ik rijd het parkeerterrein van de Lidl op. Ik moet stoppen voor een uitgezakte oudere man. Hij draagt een rood plastic boodschappenmandje. Ik kijk hem verstoord aan. Hij kijkt versuft terug. Zijn mond hangt open.

In de winkel kom ik hem weer tegen. Midden in een gangpad. En nog even versuft kijkend. Ik zie met witte letters C1000 op zijn boodschappenmandje staan.


Irritatie

september 18, 2013

Al snel is iets teveel. De schilferige man die te dicht achter me staat bij de kassa. Die met zijn wagentje tegen mijn mand op rijdt. Die bij het aanpakken van het volgende-klant-bordje met zijn lange kalknagels over mijn hand schraapt. Die als ik mijn batterijen vergeet heel hard “Hééé!” roept. Ga toch weg, man.


Achteruit

juni 7, 2013

Ik was nog klein. En liep aan de hand van mijn vader door het dorp. Achter de kerk werd mijn vader aangesproken door een Belgische madam. Of hij astemblief haar wagen voor haar uit het parkeervak wilde rijden. Ze wist niet waar de achteruit zat.


Moeder

mei 30, 2013

Vader was dood. Moeder woonde met haar twee zoons op de boerderij. De oudste zorgde voor de koeien en bewerkte het land. De jongste was de reiziger van de familie. Hij werkte in een fabriek aan de overkant van de Westerschelde. De broers hadden altijd ruzie. In de woonkamer brulden tegelijkertijd twee tv’s. Geen van de broers wilde naar het voorkeursprogramma van de ander kijken. De jongste broer weigerde te helpen op de boerderij. Als hij vrij was lag hij op bed of dronk hij. Als hij werd uitgescholden door zijn oudste broer omdat ze vanwege zijn luiheid een kalf verloren hadden, verdedigde moeder hem.

De weg langs de boerderij werd verbreed. Het industrieterrein werd uitgebreid. De boerderij werd onteigend. De broers verhuisden samen naar een andere boerderij. Moeder naar het bejaardentehuis. In het bejaardentehuis beleefde moeder haar beste jaren. Ze had het nog nooit zo gezellig gehad.


Oorbellen

april 27, 2013

Bij de juwelier. Ik leg uit wat ik wil. Oorbellen. Dunne gouden ringetjes. Waar ik ook mee kan slapen. En trainen. Hij heeft precies wat ik zoek. En meer. Ik kijk met een schuin oog naar de ringetjes met een rand van steentjes die hij aanprijst en weet al snel dat die niet voor mij zijn. De juwelier vraagt of ik ze in mijn oor wil bekijken: een dun ringetje in mijn ene oor, het blingbling-ding in mijn andere. Ik antwoord dat dat niet nodig is. Ik weet al wat ik wil. Hij dringt aan. Ik weet nog steeds wat ik wil. Ik betaal. Hij vraagt of hij de oorbellen voor me in moet doen. Het is namelijk een lastige sluiting en met een tangetje is het zo gepiept. Ik wil geen juweliersvingers aan mijn oren en zeg dat het niet nodig is. Hij dringt aan. Het is nog steeds niet nodig. Hij vraagt of hij het doosje mooi in moet pakken. Ik zeg dat dat niet nodig is. Thuis pak ik het toch weer uit en gooi ik zijn mooie verpakking weg. Hij dringt aan. De klant is koning. Het is nog steeds niet nodig. Als ik de winkel uit loop zegt hij dat als ik de oorbellen niet gesloten krijg ik altijd terug mag komen. Dan doet hij het graag voor me. Met zijn tangetje.


De eenzame man

april 20, 2013

De Lidl. Naast de boodschappenband. Een oude meneer voor me. Nog veel haar. Bril. Gebogen postuur. Kleding in grijstinten. Hij koopt niet veel. Voor maar 10,05 euro. Ik ruik urine. Hij betaalt met een briefje van 20. Kijkt schuin naar de kassajuffrouw. Als een vogel. En vraagt of ze 5 cent bij wil.


Drogist

april 12, 2013

Bij de drogist. Een vrouw met een scherp, Hollands accent. Haar man heeft laatst de conditioner gepakt in plaats van de shampoo en daar zijn haar mee gewassen. Mannen… Ze zucht. Hij vond zijn haar al zo pluizig. En kreeg het zelfs met gel niet omhoog. De verkoopster maakt meelevende geluidjes. Dus koopt de vrouw nu een fles “hair en body”. Zodat haar man nooit meer mis kan grijpen.

Ik was mijn haar nooit met shampoo. Altijd met conditioner. Zodat het niet pluist. Maar ik ben dan ook geen man.


Wachtkamer

april 11, 2013

In de wachtkamer zit een oudere dame. Ze lijkt te slapen. Uit de tas op de stoel naast haar klinkt de belmelodie van een mobiele telefoon. De dame verroert geen vin. Als een jongere dame binnenkomt kijkt ze op en zegt: “Er was muziek,” en knikt naar de tas.

De jongere dame haalt een koortsthermometer uit haar jaszak en zegt dat ze net van de assistente gehoord heeft dat deze oraal of rectaal gebruikt moet worden. “Dus niet onder de oksel,” zegt ze. “Dan weten we dat ook. En ook waarom hij vanochtend zei dat ik 34,4 had. Terwijl ik gloeide.” “Dan moeten we hem wel eerst ontsmetten,” oppert de oudere dame. “Maar ik heb hem nog nooit gebruikt.”


Zware jongen

maart 31, 2013

In de apotheek. Een zware man in een knalgeel gewatteerd jack, grijze joggingbroek en verrassend kleine gymschoenen. Hij kletst met de baliebediende over zijn ziekte en de fitness. Als hij klaar is komt hij de Albert Heijn-zak halen die vlak bij mij staat. Hij bukt en geeft me vrij zicht op zijn met rode korsten bedekte onderrug en zijn bilspleet. Zijn grijze onderbroek lubbert nog meer om zijn gigantische billen dan zijn inmiddels afgezakte joggingbroek. Als hij, met zak, naar buiten loopt zie ik een grote scheur in zijn jas waar de voering uit puilt.

Iedereen wordt wel eens ziek. De gepermanente dames op het bankje voor wachtenden net zo goed als de man met de scheur en de spleet. Net zo goed als ik.


Band plakken

februari 5, 2013

De hoofdmeester van de katholieke lagere school in het dorp, vond het fijn om kinderen voor schut te zetten. “Kijk eens wat een verschrikkelijke puinhoop deze jongen van zijn schrift maakt,” zei hij vals terwijl hij het schriftje van mijn achtjarige broertje aan een klas vol elfjarigen toonde. Een meisje in mijn klas kreeg een uitbrander omdat ze een haar op de grond gooide. Hij dwong haar de haar te zoeken, in de prullenbak te gooien en nooit meer zulk smerig gedrag te vertonen.

Op een dag kregen we de opdracht om om de beurt een actie, die de hoofdmeester ons in het oor fluisterde, zonder woorden uit te beelden voor de klas. De klas moest dan raden wat de actie was. Zo had je tennis spelen, de hond uitlaten of autorijden. Toen ik aan de beurt was kreeg ik: “De band van je fiets plakken” in mijn oor gefluisterd. Ik had, als elfjarig meisje, nog nooit een fietsband geplakt. Dat deed mijn vader altijd voor me. In de stress herinnerde ik me alleen dat je het gaatje in het rubber moest zoeken door de opgeblazen binnenband onder te dompelen in een bak water. Met een steeds roder wordend hoofd en onder jennend geroep van mijn klasgenootjes dompelde ik herhaaldelijk de denkbeeldige band onder. Tot de hoofdmeester me nors naar mijn plaats stuurde en aan de klas liet zien hoe het wel moest.

Later hoorde ik dat zijn vrouw en kinderen nog banger voor hem waren dan wij.

band plakken


Aarsogen

februari 4, 2013

Ik sta bij de kassa van de Lidl. Kijk naar wat de klanten voor me op de band hebben geladen. Ik sta versteld. Bijna niets ervan eet ik. Vlees, zoetigheid, frisdrank, toetjes, fabrieksbrood, een plastic bak boerenkoolstamppot. Ik kijk naar hun hoofden. Het loshangende vlees. De bruinige en gerimpelde huid rond hun ogen.

Op een oude familiefoto ontdek ik een onbekend lid dat wel heel slecht moet hebben gegeten.

ogen


Ontmoeting

december 31, 2012

Voor het kaas-schap in de Lidl loop ik bijna tegen een triest uitziende vrouw op. “Esther?” vraagt ze. Na wat razendsnel denkwerk zeg ik haar naam. We zaten bij elkaar in de klas op de lagere school. Ik vraag wat ze doet. Ze werkt bij de Rabobank. Al zesentwintig jaar. Daarop kan ik niet veel meer verzinnen dan dat het dan wel een erg leuke baan moet zijn. Ze vraagt of ik nog steeds trapeze doe. Dat had ze in de krant gelezen. Ik geef toe. Ze vraagt of ik in Amsterdam woon. “Nee hoor, gewoon in het dorp,” zeg ik. Ze is verbaasd. Vraagt “Echt?”

Ze zegt dat het een lange tijd geleden is. Dat we ouder zijn. Dat we rimpeltjes hebben. Ik kijk naar haar. Ze heeft inderdaad rimpeltjes. Net als ik. Ik weet niets meer te zeggen.

Bij de kassa staat ze achter me. Ik glimlach breed. Ze lacht terug en legt haar spullen op de band. Dan besef ik dat niet haar gezicht, maar haar bewegingen haar een oude vrouw maken. Triestheid overvalt me.


Anders

december 12, 2012

Ik was geen Zeeuws Vlaamse. Ik sprak geen dialect. Ik was verlegen. Ik had lang, blond haar. Ik droeg door mijn moeder gebreide truien. En Bunny-schoenen. Van die vetleren veterschoenen waarvan de modellen voor jongens en meisjes identiek waren. Ik weet niet of dat het was wat me zo anders maakte dan mijn Zeeuws Vlaamse klasgenoten.  Maar anders was ik.

Een jongen dreigde me in een kleedje te rollen en in de vaart te gooien. Bij slingertikkertje moest ik lege mouwen vasthouden omdat ik te vies was om aan te raken. Bij het ontvangen van de klassenfoto’s verklaarde een jongen dat hij de zijne alleen maar wilde hebben als mijn hoofd eruit geknipt werd. Er werd gezegd dat ik “in’t oerkot” geboren was.

Nog steeds ben ik anders. Nog steeds weet ik niet precies waar het hem in zit. En nog steeds lok ik vreemde en soms agressieve reacties uit in anderen. Het is niet anders.


Te dicht

november 1, 2012

Ik sta bij de kassa. Mijn spullen liggen op de band. Ik voel dat iemand dicht achter me staat. Te dicht. Ik kijk om en zie een groen gemouwde arm een volgende-klant-bordje pakken. De arm veegt tegen me aan. Ik doe een stap schuin naar voren. Sta oncomfortabel tegen het sigarettenrek gedrukt. De man die bij de arm hoort volgt. Hij pakt iets. Staat vlakbij me. Weer die arm, die me nu net mist. Ik zeg: “Zou u alstublieft niet zo bovenop me willen gaan staan? Ik vind dat heel vervelend.” Hij kijkt me nors aan en zegt, langzaam pratend en goed articulerend, alsof hij het heeft tegen een klein kind of iemand die niet goed bij z’n verstand is: “Oh sorry hoor. Ik pakte alleen maar wat. Ik wist niet dat u daar niet tegen kon.” Ik knik.


Andere tijd

oktober 28, 2012

Ik denk aan het trapeze-optreden waarbij mijn broek achter de trapezestok bleef hangen en ik in mijn huidkleurige string hing. Aan het mast-optreden waarbij bh en jurkje volledig verschoven waren en de band die achter het podium zat me in mijn volle glorie zag hangen. Aan het doekenoptreden waarbij mijn jurkje tijdens de laatste val vast kwam te zitten waardoor ik half ontkleed beneden aankwam.

Een paar uur voor het optreden rijd ik, met mijn ordi optreedjurkje in een plastic zak, naar de lingeriezaak in het dorp. Ik vertel dat mijn gebruikelijke optreed-bh het het laatste seizoen regelmatig heeft af laten weten en zoek samen met D een stevig ogende, perfect passende bh uit die me in de toekomst voor gênante ogenblikken zal moeten behoeden. Voor de zekerheid trek ik ook nog het jurkje aan en paradeer door de zaak. Een oudere dame komt binnenlopen, neust wat door de bh’s, kijkt me glimlachend aan en zegt: “Dag Esther.” Ik herken mijn oude buurvrouw uit mijn lagere schooltijd. Van toen ik nog een heel klein blond verlegen meisje was. Een andere wereld. En ook weer niet.


De vader van

oktober 26, 2012

Als ik in haar winkel ben moet ik altijd denken aan haar vader, die ook winkelier was in het dorp en over wie een straf verhaal de ronde deed.

De vader reed met zijn auto langs een bushalte in een naburig dorp en zag dat een klant van hem daar op de bus stond te wachten. Hij stopte de auto en vroeg de klant of hij mee wilde rijden. De klant stapte dankbaar in. Aangekomen in het dorp van bestemming namen ze afscheid en stak de vader zijn hand uit. “Dat is dan een gulden,” zei hij.


Boekhandel

oktober 15, 2012

De oude boekhandel staat al tijden leeg. De eigenaar is afgevoerd. Duiven hebben een reep trottoir voor de lege etalages volgescheten. Door de motregen is de vogeldrek veranderd in een beige mousse, waar ik met mijn nieuwe blauwe laarzen in uitglijd.


Ring

oktober 5, 2012

In de les moet ik er goed op letten. Geen sieraden, piercings, ritsen, knopen en horloges als je in de doeken werkt. Je kunt er gaten in de doeken mee maken, maar je kunt er ook jezelf mee verwonden. Aan de hand van een doekenmeisje ontdek ik een ring. En moet denken aan de dierenarts in ons dorp.

De dierenarts is de broer van mijn huisarts. De huisarts zie ik regelmatig. De dierenarts nooit. Ik ben geen zieke-dieren-bezitter. Ik hoorde dat de dierenarts een tijd geleden bij een bejaarde boer geroepen was. Ongetwijfeld vanwege een ziek dier. De boer had iets nodig van op een plank waar hij niet bij kon en de dierenarts bood aan het voor hem te pakken. Ook hij kon er niet bij. Dus sprong hij en greep in de vlucht het gewilde voorwerp van de plank. Op hetzelfde moment dat hij terug op de grond kwam hoorden ze het geluid van rinkelend metaal op de betonnen vloer. Daarna zagen ze het bloed dat uit de hand van de dierenarts gutste. Hij was met zijn trouwring achter een spijker in de plank blijven hangen en door het minieme valletje, gecombineerd met zijn lichaamsgewicht, was de ringvinger van zijn hand gerukt. De vinger lag, met de ring ernaast, op de betonnen vloer.


Storm

september 24, 2012

Ik heb een grote doos nodig voor de vijftien jurken die ik moet versturen. Ik rijd door de storm naar de Albert Heijn. De dozenbak is leeg. Naast de bak staat een heel grote doos. Zeker groot genoeg voor de jurken. Ik wurm mezelf de winkel uit. De doos flappert en vervormt in de harde wind. Ik open de deur van mijn Corsa. Probeer de doos erin te krijgen. De doos is te groot voor de achterbank. De doos is ook te groot voor de passagiersstoel, zelfs als ik die helemaal achteruit schuif. Ik manoeuvreer de doos naar de achterkant van mijn auto. De doos is te groot voor in de achterbak.

Ik ben nat en flink chagrijnig. Ik zet de doos op de grond en haal de hoedenklep weg. Voordat ik de achterbank naar beneden heb kunnen klappen waait de doos weg. En sliert door een paar diepe plassen. Ik loop nijdig met de gehavende, natte doos terug de Albert Heijn binnen en deponeer hem naast de nog steeds lege dozenbak.

Ik ga naar de Aldi. De Aldi heeft geen dozenbak. En ook geen lege dozen. Weer buiten slingert een oudere vrouw met een grote zwaaibeweging haar winkelwagentje 180 graden rond. Ze mist me net. Dankbaar blaf ik: “Eerst denken, dan doen!”


Eerste ontmoeting

augustus 7, 2012

Ik heb het verhaal honderden keren gehoord. Zelf weet ik er nog maar heel weinig van. Piepjong was ik toen ik op de markt in ons dorp mijn eerste donkere man zag. Of – zoals dat toen zonder gêne gezegd kon worden – mijn eerste neger. Een bijzonder lange neger, als ik mijn moeder mag geloven. Ik was geïntrigeerd. Liep een rondje om hem heen. Keek naar boven. En zei triomfantelijk: “Zwarte Piet!”


Zeeman

augustus 4, 2012

Dochter: “Mam, ik heb nog bh’s nodig.”

Moeder: “Hoezo?”

Dochter: “Die van jou zijn te groot.”

Dochter: “Weet jij eigenlijk mijn maat?”

Moeder: “Jouw maat? Geen idee.”


Bij de apotheek

juli 18, 2012

– Maar jij kent mij toch wel?

– Ja, vanzelf.

– Maar ik jou niet!

– Jij was toch tegelzetter?

– Maar ja, zeventien jaar.

– Nou ja, ik was schilder.

– Ik ben al tachtig. Dan werkt de computer niet zo goed meer hé?

– Ja maar ik ook hoor.


Stamper

juli 13, 2012

Ons dorp heeft een keukenbenodigdhedenwinkel. Alles in de winkel is schreeuwend duur. Ik loop er binnen. Ik groet de eigenaresse die nog bij mijn broertje in de klas heeft gezeten. Ik vind binnen de minuut wat ik zoek. Een koffie-aanstamper voor mijn espresso-potje. Hij is mooi. En schreeuwend duur. Ik ga veel stampplezier tegemoet.

De volgende ochtend pak ik mijn espresso-potje. Ik vul het onderste gedeelte met water. Schep goed veel koffie in het filter. Pak de stamper. En ontdek dat hij niet past.


Klein meisje met eerste dagboek

februari 8, 2012

In de kast op zolder vond ik mijn eerste dagboek.

Dinsdag 21 februari 1978

“Het was ijsvrij. Toen we op het ijs waren was W er ook. Hij mocht mij niet zien. Toen W naar huis ging gingen N en ik ook naar huis. Toen we thuis kwamen was E er ook. We zijn toen naar het huis van Pietje Leut geweest. Toen heb ik me in me vinger gesneden. Dat kwam door E. Hij duwde mij toen ik een tegeltje in mijn hand had. We zijn op de zolder geweest. Toen kwam er een vent. Die zei dat we weg moesten gaan. Hij heeft P geslagen.”

Ik denk aan de tienjarigen die ik ken en sta verbaasd over wat voor klein meisje ik was in 1978.


Geel en bruin

januari 6, 2012

De locale printwinkel ziet eruit alsof hij eerst iets anders is geweest. Wat ook zo is. Er is niet heel veel moeite gedaan om de oude slijterij een modern aanzicht te geven. De meneer van de printwinkel past prima in het plaatje. Jaren 70 sherry-hoofd, rookglazen bril en het kortere Beatle-kapsel. Als ik naar hem kijk denk ik aan sigaretten.

Ik vraag of hij nu wel de twee boekjes klaar heeft waar hij bij mijn vorige bezoek tevergeefs naar zocht. Hij verdwijnt achter een schap. Twee boekjes, twee boekjes, twee boekjes, zegt hij. Hij vindt ze en legt ze samen met mijn USB-stick en vier mislukte prints op de toonbank. Hij oreert minstens vijf minuten lang over wat er allemaal is mis gegaan, over fonts, miscommunicatie tussen computers en printer, de Canon-serviceman en zijn eigen onvermogen om de computerproblemen te begrijpen. Bonnetje, zegt hij. Ik heb een bonnetje gemaakt, maar waar is het? Hij verdwijnt achter het schap. Ik hoor bonnetje, bonnetje, bonnetje, bonnetje. Hij komt terug met een kladpapiertje. Ik vraag een bonnetje met BTW. Hij schrijft het uit en vergist zich bij het uittellen van het wisselgeld.

Ik denk aan mijn eerste bezoek. Aan mijn vraag of hij geen naam of telefoonnummer van me nodig had. En aan zijn antwoord. Dat ik vast wel eens mijn USB-stick op zou komen halen.


Kousenman

november 9, 2011

In het dorp is de markt half verlaten. De kousenman staat niet meer op de Markt zelf maar op het Ledelplein. Hij is panty’s aan het sorteren als ik aankom en laat me, zoals gebruikelijk, net iets te lang wachten. Ik vraag om de dunne witte kniekousen die ik al eens eerder bij hem gekocht had en hij vraagt “Welke kleur? Ze zijn er in alle kleuren.” Ook wilde ik graag rode netpanty’s voor stRINGs. Na lang zoeken trekt hij er twee tevoorschijn.

Bij het uitschrijven van de bon zegt hij de datum niet te weten maar dat dat hem ook niet uitmaakt. De panty’s schrijft hij neer voor vijf euro per stuk. Op Marktplaats staan ze voor twee euro. BTW gist hij. Zegt “Dit moet ongeveer oké zijn.” Bij zuchtend toch correct berekenen blijkt hij zestig cent te hoog hebben gegokt en maak ik een flauw grapje over fraude. Hij kijkt me in de ogen terwijl hij me de plastic zak met beenmode overhandigt en zegt “Met dit soort dingen kun je niet genoeg frauderen. Onthoud dat maar.”


In de rij

oktober 29, 2011

In de Lidl. Voor me in de rij een gezin. Moeder, vader, twee zoontjes en een dochtertje dat in de winkelwagen zit. Het jongste zoontje huilt. Hij ziet er wasachtig en een beetje vuil uit. De moeder praat tegen hem in West Vlaams dialect. Het dochtertje zuigt op haar vinger en krijgt wat-is-ze-een-schatje-commentaar van een vrouw achter me in de rij. Het oudste zoontje zuigt op zijn pink. Niemand ziet het. Hij bijt op zijn pink en maakt smak-geluiden. Hij krijgt een uitbrander.

De moeder zegt tegen de vrouw achter me in de rij dat de oudste zijn broer niet gerust kan laten. Ik zie dat het gezicht van broer vol krassen zit en vraag me af of de verdwenen huid onder de vingernagels van de oudste is beland. De oudste hoest. De vader snauwt “Hand voor je mond,” terwijl hij boodschappen op de band laadt. De vader heeft kort zwart haar waar al grijs doorheen komt, kleine donkere ogen en een wrat in de buurt van zijn ooghoek. Ik vraag me af waarom ik hem zo eng vind. Vraag me af of hij zijn vrouw en kinderen slaat. Ik vermoed dat hij een Zeeuws Vlaming is.

Het dochtertje springt op en neer in de bijna lege winkelwagen. Ze lacht maar ziet er triest en morsig uit. Ze probeert een brood op de volle band te leggen. De moeder zegt drie keer dat dat niet kan. De vader pakt het brood aan. De oudste knipt met duim en wijsvinger tegen het hoofd van zijn zusje. Ik denk dat niemand het ziet maar weet het niet zeker. De oudste graait in de winkelwagen. De vader snauwt “Afblijven!”

Bij de kassa hangt broer naast de kassière en bepampelt het scanvenster. Hij mag de kaas scannen. Hij raakt alles aan, heel even maar, en lacht als een waanzinnige.

Op de parkeerplaats laadt de vader de aankopen in een dikke blauwe stationwagen. Ik stap in mijn Corsa.


Stuiterbal

september 25, 2011

Toen ik acht was ging ik vaak spelen bij Annette. Ik had wel meer vriendinnen, maar deze was bijzonder omdat haar vader bakker was en altijd rond liep in een wit hemd en een blauwwit geruite bakkersbroek. Hij had een breed, grof gezicht met kleine sluwe ogen en enorme handen. Ik dacht dat die handen zo groot waren vanwege het kneden van het brooddeeg, tot ik ontdekte dat hij daar een machine voor had. Ik was bang voor hem. Annette’s moeder zagen we niet veel. Die stond in de winkel.

Hun huis was heel anders dan dat van ons. Bij ons kwam je officieel binnen in de hal en ging door de deur naast de kapstok (door de andere deuren kwam je in de WC en de meterkast) naar de woonkamer die, als je rechtsaf sloeg overging in de woonkeuken. Mijn ouders hadden bij de bouw van het huis speciaal gevraagd om een open keuken zodat mijn moeder altijd mij en mijn twee broertjes in de gaten kon houden. Als we naar buiten wilden moesten we altijd langs achteren, door wat voor mijn ouders het klompenkot was en voor de mensen aan wie ze later het huis verkochten de sèrre, de tuin in, het poortje door naar het gangetje tussen onze garage en die van de buren, de oprit (rails van witgewassen grinttegels met daar tussen een strook gras) af en je stond op straat. Een doodlopende straat, zonder gevaar.

Annette woonde midden in het dorp, aan de winkelstraat. Voor hun huis was geen tuin maar de winkel waarin haar moeder verkocht wat haar vader bakte. Achter de winkel begon meteen de bakkerij en om in de woonkamer te komen moest je met een trap naar boven. Voor mij was dit allemaal erg ongewoon en spannend. Als ik kwam spelen mocht ik niet via de winkel naar binnen maar moest omfietsen naar een smal straatje parallel aan de winkelstraat waar de achterkanten van de winkels op uit kwamen. Een straatje zonder tuinen maar met geplaveide binnenplaatsen voor de bestelwagens en opslagruimtes met ijzeren rolluiken. Daar kon ik dan de  ingang van de bakkerij nemen.

Ik hield niet van de bakkerij; er bewoog teveel tegelijkertijd, het was er lawaaierig en het stond er vol met dingen waar we niet aan mochten komen. Al die herrie en beweging gaven me een gevoel van onveiligheid: ik had moeite me te oriënteren en daardoor kon het gebeuren dat ik Annette’s vader pas zag als hij ineens voor me stond, groot, dreigend, de enorme handen in zijn zij geplant. Hij zei nooit wat. Pas als ik piepte „Ik kom voor Annette meneer,” stapte hij opzij om me door te laten. Ik rende dan met rood hoofd en kloppend hart de trap op naar de woonkamer, waar Annette op me wachtte.

Annette was de baas. Ze was een half jaar ouder dan ik, een stuk groter en populair in de klas. Ik was verlegen en onzeker. Misschien wilde ik te graag aardig gevonden worden. Bij het spelen besliste Annette wat we gingen doen. Ik wist niet altijd zeker of ik haar spelletjes wel echt leuk vond, maar ik stelde geen vragen en deed wat ze me zei. Ik denk dat ik er vanuit ging dat ze, vanwege haar populariteit, beter wist wat leuk was dan ik. Zoals die ene keer dat Annette haar truitje en hemd uitdeed, achterover ging liggen op de luie stoel in de hoek van de woonkamer die onzichtbaar was vanaf de straat, hoofd gekanteld, ogen half dicht, mond open, armen slap over beide leuningen en zei: „En nu ben jij het kind dat binnen komt en dan moet je zeggen: wat heeft mamma een grote borsten.”

Op een woensdagmiddag kwam ik hijgend de trap op rennen om niet alleen Annette maar ook Leonie in de woonkamer te vinden. Leonie was van Annette’s leeftijd, een wat grofgebouwd kind met bruin haar, bruine ogen en een opvallend rond gezicht. Ik kende haar van school en ging ook wel eens bij haar spelen, maar op een of andere manier ik voelde me nooit helemaal op mijn gemak als zij in de buurt was. Wat ik vooral wantrouwde waren haar handen, met de korte maar sterke vingers, stomp en rafelig van het nagelbijten. Ik deed er alles aan om die handen niet aan te hoeven raken, was constant op mijn hoede; ik liet me nooit door haar vangen bij tikkertje spelen, accepteerde van haar geen koekjes en nam haar niet mee naar mijn hut (waar je net met z’n tweeën in kon en contact onvermijdelijk was). En nu was zij er ook. Met haar enge handen. Waarom? Ik zou toch met Annette komen spelen?

Maar Leonie bleef en al snel kreeg ik het idee dat ze liever met z’n tweeën waren gebleven, dat ik ze stoorde in wat het ook mocht zijn waar ze tot ik binnen kwam mee bezig waren geweest. We speelden dit keer niet in de woonkamer maar in Annette’s slaapkamer, aan de achterkant van het huis. Annette en Leonie zaten te fluisteren op het bed terwijl ik me teveel voelde op de stoel aan haar bureau. Tranen kriebelden al achter mijn ogen. Opeens had Annette een stuiterbal in haar hand. Ze strekte haar arm zodat ik hem beter kon bekijken maar liet me hem niet vasthouden. De bal was een stuk groter dan de stuiterballetjes die wij thuis wel eens kregen en die geheid na drie keer stuiteren niet meer terug gevonden konden worden. Deze was van doorzichtig rubber met daarin gekronkelde sliertjes in allerlei kleuren en kleine gouden spikkeltjes.  „En kijk nu goed” zei Annette toen ze vond dat ik de bal lang genoeg bewonderd had. Ze hees haar rok omhoog, haakte haar linker duim achter het elastiek van haar onderbroek, trok het naar voren en liet de bal in haar broekje vallen. „Zo.” Ik keek haar onthutst aan terwijl Leonie op het bed lag te lachen.

„En nu gaan we spelen,” zei Annette. Dat was niet zo makkelijk omdat we niet veel spelletje kenden die je ook met z’n drieën kon doen. Daarbij werden we telkens afgeleid door de stuiterbal die Annette van tijd tot tijd op en neer bewoog in haar onderbroek. Maar Annette had een idee: „Ik weet iets leuks, maar dan moet ik wel even iets afspreken met Leonie en jij mag dat niet horen, anders is er niks meer aan.” Ik wachtte terwijl Annette en Leonie fluisterend aan het overleggen waren, af en toe lachten en naar mij keken om er zeker van te zijn dat ik niets zou horen. Ik had wel vaker spelletjes gespeeld waarbij er twee iets afspreken wat de derde later moet raden, uitvinden, of doen, dus wachtte ik vol spanning op wat er zou gaan gebeuren.

Eindelijk was het overleg afgelopen en kwam Annette naar me toe. Het was haar spel; zij zou het leiden. Leonie hield zich op de achtergrond. „Nu moet je je ogen dicht doen, en echt dicht hoor, en dan krijg je iets lekkers.” Ik deed mijn ogen dicht maar vroeg toch nog voorzichtig: „Wat krijg ik dan?” „Een kauwgumpje!” jubelde Leonie. „Ja, een kauwgumpje” beaamde Annette, „maar alleen als je je ogen heel strak dicht doet en niet kijkt, anders mag je niet meer meedoen.” Ik kneep mijn ogen stijf dicht, blij en opgewonden door het vooruitzicht van een voor mij bijzondere traktatie. Ik was ervan overtuigd dat ik binnen een paar tellen een heerlijk lichtblauw glad kussentje Stimorol in mijn mond zou hebben. „Mond open!” beval Annette. Ik opende gehoorzaam mijn mond. „Verder!” Zo groot was een stukje Stimorol toch ook niet . . . of . . . hadden ze misschien Hubba Bubba, de lekkerste en door mijn ouders meest verafschuwde kauwgumsoort! Ik deed mijn mond zo ver mogelijk open, zo ver dat ik mijn kaken voelde kraken. Het volgende moment was mijn mond gevuld door iets veel te groots en ronds; warm, kleverig en smakend naar rubber. Ik hoorde Leonie wild lachen. Ik heb niet gehuild.

Op Annette’s verjaardag zaten we met negen meisjes in de woonkamer. In afwachting. Annette was met haar moeder in de keuken voorbereidingen aan het treffen voor het spel. De lucht in de kamer zoemde van spanning. Twee meisjes, Leonie en Carolien, hadden het spel al eerder gespeeld en vertelden de anderen hoe het zou gaan, of beter gezegd, Leonie vertelde en Carolien knikte. „Straks,” zei Leonie „dan komen ze met een blinddoek die ze om je hoofd heen doen zodat je niks meer ziet en dan steken ze vingers op en dan moet jij raden hoeveel en dat kan je niet en dan is het goed. Dan brengen ze je naar de keuken en dan moet je een nummer zeggen. En dan moet je je mond open doen en dan krijg je een lepel. Dat is heel spannend want sommige lepels zijn heel lekker, met jam of stroop of zo, maar er zijn ook vieze lepels met mosterd en andere vieze dingen. En dan is het gedaan.” Ik stelde me voor wat er nog meer op de vieze lepels zou kunnen liggen: zout, rood-heet uit het zakje van de Chinees, gele vla, bitterkoekjespudding. Bij alles stelde ik me voor hoe het aan zou voelen in  mijn mond en keel, of het zou glijden of niet, of ik het binnen zou kunnen houden . . . Mijn buik begon te verkrampen. Aan de andere kant waren er natuurlijk wel de lekkere lepels . . . maar kon je daar wel zeker van zijn? Ik wilde zoo graag meedoen, was zo opgewonden, dat ik niet stil kon blijven zitten. Ik ging achterstevoren op mijn stoel zitten, op de bank, benen over de leuning, ging liggen, liep rond. Intussen stroomde de kamer langzaam leeg. Telkens werd er een ander meisje geblinddoekt en weggeleid. Leonie was al geweest. En Els. Later ook Catherine. Ik hoorde opgewonden kreten en gelach uit de keuken komen. Ik hield vanuit mijn verschillende posities gefascineerd de deuropening in de gaten waarin keer op keer weer de blinddoek verscheen. Tot ik, warm en zwetend, met bonzend hart, als enige in de woonkamer over was. Daar kwam de blinddoek al. Het was mijn beurt. Maar ik wilde niet, durfde niet, begon te huilen terwijl de andere meisjes me eerst aanmoedigden en daarna uitlachten. Zonder blinddoek werd ik meegenomen naar de keuken. Daar lag, op de laatste lepel, bruin en glanzend, de meest onvoorstelbare lekkernij: een knakworstje. „Die krijg je nu niet,” zei Annette, pakte het worstje, stak het in haar mond, draaide zich om en marcheerde de keuken uit, op de voet gevolgd door de andere meisjes.


Jongetjes worden mannen

september 16, 2011

In het dorp passeer ik een groep jongetjes. Brugklassers, zo te zien. Hun fietsen en tassen zijn nog net iets te groot voor ze. “We gaan tegenwind hebben,” zegt er een. “Welnee man, de wind komt daar vandaan,” sneert de andere die naast hem rijdt en wijst in een richting waar de wind duidelijk niet vandaan komt. Het eerste jongetje heeft gelijk, maar op die leeftijd is gelijk hebben minder belangrijk dan je plaats weten in de hiërarchie. Het jongetje dat niet wist uit welke hoek de wind waaide en voor wie ik al meteen een wrang soort minachting voel, heeft en krijgt het laatste woord.

Daarachter fietsen nog twee knaapjes. “Ik kan bijna niets meer horen,” zegt het jongetje met dikke blauwe bril tegen zijn vriendje, “Maar ik ga echt geen gehoorapparaat nemen hoor. Ik ben niet zot!”

Over een paar jaar zijn ook deze jongetjes mannen. Ik bedenk zo dat de eerste heel onzeker wordt. Niet weet waarmee hij kan behagen. Zich in zijn onzekerheid misschien op zijn beurt afreageert op zwakkeren. Zijn vrouw terroriseert. Van honden houdt. Het misselijke ventje wordt natuurlijk zo’n grote-bekman die ook als volwassene vaak gelijk gegeven zal worden. Zo’n kerel die veel te hard niet leuke grappen maakt en daar vooral zelf om lacht. Die niet kan luisteren. Waar de kassières in de Lidl bang van zijn. Die heel veel vet kweekt en in de zomer mouwloze T-shirts draagt.

Aan het slechthorende jongetje zal waarschijnlijk veel van de middelbare school voorbij gaan. Of misschien haalt hij wat hij overdag mist ’s avonds in. Want lezen kan-ie wel, met die blauwe bril van hem. Daarbij is hij ook nog eens immuun voor het geblaat van de rotjochies. Wellicht komt hij als enige nog min of meer ongeschonden de pubertijd door.


Eenheidsworst

september 8, 2011

Hier hingen ooit Belgisch ogende jurken. Nadat de mevrouw van de winkel overleed legde haar man, die in hetzelfde pand een boekwinkel had, boeken in de etalage die langzaam hun kleur verloren. Tot ook hij het veld moest ruimen.

Een ouderwetse etalage die hoogst waarschijnlijk plaats gaat maken voor de schreeuwerige glazen pui van een winkelketen. Zoals gebeurde bij de dorps-sigarenwinkel/parfumerie die opeens een Zeeman werd. Ik word er niet vrolijk van.


Boodschappen doen

september 5, 2011

Ik zag in het dorp een vrouw fietsen met aardbeirood haar.

Een bebaarde man liep tegen de wind in met opengewaaid jack, waardoor het leek alsof hij geen armen had.

Achter me, bij de kassa, stond een tiener met slechte adem.


Enge fietsen

augustus 31, 2011

Schoonheid is subjectief, maar bijna iedereen is het er over eens dat de fris gekleurde fietsen die met plastic bloembakken en leeggelopen banden de dorpskern bevlekken crimineel lelijk zijn.

 


Monstermachine

augustus 30, 2011

Terug rijdend uit het dorp zag ik een reusachtige tractor me tegemoet rijden. Zo een die nauwelijks op de gemiddelde polderweg past, met banden die minstens tot ooghoogte komen en met de bestuurder hoog weggestopt in een compleet doorzichtige cabine. Ik moest meteen denken aan mijn broertje die, toen hij een jaar of twaalf was, vanuit het dorp naar huis fietste en zag hoe een afslaande Atlas-graafmachinebestuurder een bromfietser over het hoofd zag, hem aanreed en met het achterwiel de helm met hoofd van de bromfietser plette.

De man die dit monster uitliet deed me de mond openvallen en mij me afvragen of ik het wel goed gezien had: in plaats van op de weg te letten keek hij op zijn telefoon en typte rustig een smsje.


Tristezza

augustus 6, 2011

Misschien was het gewoon wat veel, vier rommelmarkten in acht dagen. Toen ik vanochtend vroeg de Visserijfeesten op liep werd ik niet overspoeld door het bekende schattenjagersgevoel. Integendeel. De helemaal niet dure zwarte vintage reistas met modderspetters heb ik laten staan omdat de verkoopster me deed denken aan een kruising tussen een morsige aangetrouwde tante van me en de vetharige krantenbezorgster uit mijn kindertijd. Ook van andere handelaren werd ik een beetje triest. Zo was er een mannetje dat met een wasrekje hangplanten op een wel heel ongezellige plek was gaan zitten, zelf bijna verscholen in het struikgewas. Een ander oud mannetje verkocht zijn hengels. En een stel doorgeroeste strijkbouten.

Met verbazing heb ik staan kijken naar een groep vrienden (ik kan me niet voorstellen dat ze allemaal in het huis wonen waar ze voor stonden) die behalve hun handelswaar ook de boxen hadden buitengezet en daar joekelhard de Havenzangers, André Hazes en Koos Alberts uit lieten schallen. Om het genot nog te verhogen hadden ze allemaal een biertje op de buik.

Ik begon trek te krijgen, maar wilde niets eten voordat ik de gelegenheid had gehad mijn handen te wassen die plakkerig waren geworden door het aanraken van wat ik dacht dat een brillenkoker was maar een etui met sleutelset bleek te zijn. Het was duidelijk tijd om naar huis te gaan.

Op weg naar de auto kwam ik nog wel twee zusjes tegen. Die, samen met de retro zonnebril die ik had gevonden, maakten de ochtend dan toch weer goed.


Rommelmarkt

augustus 3, 2011

Ondanks de regen toch vroeg opgestaan om naar de rommelmarkt in een dorp verder te gaan. Dit keer mijn auto niet op het parkeerveld gezet maar langs de weg en opgewonden het dorp in getogen. Naarmate het weer beter werd werden steeds meer schatten ontdaan van groen zeil en landbouwplastic. Wat ik niet heb gekocht: tweed jas, bruine tweedehands BH cup F, oranje koffer met witte bies (twijfelgeval), cake, zelfgemaakte schilderijen en een vintage LP-collectie.

Wat ik wel heb gekocht, maar pas na lang nadenken, zoeken op internet en weer terug naar de rommelmarkt rijden, is een vintage accordeon. Met maar 12 bas-knoppen en daarom volgens internet een kindermodel, maar volgens mij is zo’n overzichtelijk aantal indrukmogelijkheden precies geschikt voor mij. De foto volgt zodra mijn ontzag voor zomaar een nieuw muziekinstrument iets gesleten is.


Rennen maar!

juli 30, 2011


Jaarmarkt

juli 29, 2011

De wekker ging vanochtend vroeg – zeven uur – zodat ik op tijd bij de jaarmarkt een dorp verder zou zijn en me als één van de eersten zou kunnen vergapen aan alle ongetwijfeld prachtige dingen die voor bijna niets door allemaal aardige mensen zouden worden verkocht. Ik parkeerde mijn auto op een bijna leeg grasveld (€2,50 alstublieft) en toog vol verwachting op mijn hoge hakken het dorp in. Na 100 meter had ik al een knaloranje gehaakte sprei te pakken die tijdens de tienertijd van de verkoopster haar slaapkamer opgevrolijkt had. Weer een paar meter verder scoorde ik een poef uit de zestiger jaren. Met handig veel opbergruimte. Dat begon goed. Poef en sprei in bewaring gegeven en meteen al liep ik tegen een wasrekje met poezen-pannenlappen aan. Gehaakt door de dames van de kerk voor het goede doel (ben even vergeten wat precies, maar zal vast de kerk zelf geweest zijn). Twee van gekocht. Nadat ik ook nog een sixties sjaaltje, een onhandige maar o zo leuke thermoskan, een oud blik en een kleedje dat bij thuiskomst een fors gat bleek te bezitten had gekocht en met een oud-klasgenote van de lagere school en haar zus een praatje had gemaakt had ik blaren op mijn tenen, pijn in de onderrug en kon ik niet meer lachen om de tweedehands WC-bril, het afgeragde eenzame pingpongbatje en de eindeloze stapels verwassen babykleding. Tijd om naar huis te gaan.

Toen ik echter bij mijn auto aankwam bleek hij omringd door andere auto’s. Volledig vastgezet. De parkeerwachten bleken al een paar keer te hebben laten omroepen dat de auto verplaatst moest worden, maar er was niemand op komen dagen. Het bestuur van de jaarmarkt zou het probleem maar op moeten lossen. Ik maakte nog een halfslachtig rondje langs de kraampjes en begon mijn blaren wel erg goed te voelen. Terug bij de auto was de situatie nog onveranderd. Gewacht, praatje gemaakt met ex-leraar uit de brugklas, zeer net briefje geschreven en onder de ruitenwissers van de zwarte wagen gedaan, gewacht, flesje water gekregen van een parkeerwacht en uiteindelijk gebeld naar huis en me op laten halen.

Zoeven heb ik de auto gehaald. Onder mijn ruitenwissers zat mijn eigen briefje. Daarop lag een pruim. Op het briefje was niets bijgeschreven. Geen woord van berouw. Alleen een godvergeten pruim.


Klantenbinding

juli 27, 2011

Ik had al een tijdje lopen nadenken over een nieuwe act in de ring met live gitaarmuziek erbij, maar kwam maar niet verder dan een paar trefwoorden en sfeerbeelden. Samen met P naar muziekjes geluisterd, gepraat, gebrainstormd, gelachen en niet echt veel verder gekomen. Totdat ik keek naar de video van een recent solo-optreden waar ik een fijn muziekje onder had geplakt (dank je, M) en dacht: “Amelie!” De kleding (vintage jurkje dat weliswaar tijdens het laatste optreden in flarden was gescheurd), de sfeer (zoals P het verwoordde “licht in plaats van kunstzinnig”) en de techniek (simpele pulley in plaats van motortakel) toverden opeens het beeld van Amelie op mijn netvlies.

Omdat het jaren geleden was dat ik de film had gezien repte ik me naar de plaatselijke DVD-boer en vroeg hem of hij Amelie misschien op voorraad had. Toen dat niet zo bleek te zijn wilde ik al weggaan om hem op internet te bestellen, maar de winkelier haalde me over dat bij hem te doen. “Dan is-ie er morgen.” Hij stond erop om mijn telefoonnummer in zijn computer te zetten en zei dat hij me zou bellen zodra de DVD binnen was.

Als ik iets in mijn hoofd heb wil ik er ook zo snel mogelijk mee aan de slag, dus de hele volgende dag heb ik mijn telefoon in de gaten gehouden, klaar om naar de DVD-winkel te snellen. Niets gehoord. Omdat het die avond toevallig koopavond was besloot ik op goed geluk naar het dorp te gaan en dan maar te kijken of er toch misschien iets voor me binnengekomen was. Bij de winkel aangekomen zag ik tot mijn grote teleurstelling dat de rekken met CD’s en DVD’s die altijd buiten staan weg waren, de ijzeren rolluiken naar beneden waren en het licht in de zaak uit was.

De volgende ochtend, in de winkel, bleek dat de DVD er gewoon was. De dag ervoor aangekomen. Op mijn vraag waarom ik niet gebeld was antwoordde de DVD-man dat hij het te druk had gehad. Waarop ik zei dat ik het dan fijner zou vinden als hij niet beloofde te bellen. “Ik kan toch niet iedereen voor alles gaan bellen,” viel hij uit. “Beloof het dan ook niet. Je bood het zelf aan,” zei ik. “Ik zal ook nóóit meer bellen” snauwde hij en met opgetrokken neus smeet hij me de kassabon toe. Ik kon het niet laten en pareerde met een vriendelijk “Je weet je klanten wel te houden hè?” Met een “Je hoeft hier ook nooit meer te komen!” maakte hij een eind aan onze conversatie.

Niet helemaal wat ik me van de ochtend had voorgesteld.


Boeken

juli 23, 2011

In de etalage van de boekenwinkel die al bestaat sinds mijn kindertijd zijn de kleuren van de kaften verbleekt tot een uniform wit met blauw. Streekroman, fietsgids, kookboek, alles ziet er nu hetzelfde uit. Veertig procent korting – of is het inmiddels al vijftig – belooft het handgeschreven kaartje tussen de boeken. Te verrekenen bij de kassa. Waar de meneer van de boekenwinkel al sinds mijn kindertijd op klanten wacht.